Rodaan Al Galidi (Irak) woont sinds 1998 in Nederland. Naast dichter is hij auteur van verschillende romans, waaronder het nieuwste boek Holland (2020). Dit is het vervolg op de bestseller Hoe ik talent voor het leven kreeg, dat inmiddels ook is verschenen in het Engels.
Zijn dichtbundels De herfst van Zorro (2007) en Koelkastlicht (2016) waren genomineerd voor de VSB Poëzieprijs. De roman De autist en de postduif (2011) won de Literatuurprijs van de Europese Unie. Kort daarna zakte hij voor het inburgeringsexamen.. Zijn roman De autist en de postduif (2011) werd bekroond met de prestigieuze European Union Prize for Literature en verschijnt in het Deens, Servisch, Macedonisch, Tsjechisch en Bulgaars.
In Hoe ik talent voor het leven kreeg beschreef de auteur van a tot z over de omzwervingen van Semmier Kariem in asielzoekersland. Deze roman is actueler dan ooit en is uit het leven gegrepen. Uit het leven van de schrijver én uit de levens van duizenden anderen die hetzelfde meemaakten. Semmier Kariem is gevlucht uit Irak. Zeven jaar van honger, verdwalen en angst later landt hij op Schiphol. Hij vraagt asiel aan. Wat hij niet weet is dat hiermee het langste wachten van zijn leven begint, in het asielzoekerscentrum, een wachtkamer die hij deelt met vijfhonderd anderen. Intussen bestudeert Semmier het land waar hij misschien ooit deel van uit mag maken, maar ook al verblijft hij er nu, hij blijft een buitenstaander. Iemand die onderworpen is aan wetten en regels.
In Holland verlaat Semmier Karim, na precies negen jaar, negen maanden, een week en drie dagen het AZC. Rodaan Al Galidi leert de lezer met zijn roman Holland opnieuw over de rigide regelgeving in Nederland, over de manier waarop er binnen gezinnen geleefd wordt, over de omgangsvormen, cultuur. Door de ogen van iemand uit de zogenaamde Wij-cultuur. Ik vond het hilarisch om weer eens door Al Galidi aan de hand genomen te worden door regelland Nederland. En vooral wat te doen als je niet past binnen de regelgeving. Wanneer Semmier dan eindelijk in Nederland mag blijven is hij klaar met alle besluiten die voor hem werden genomen. Dus hij besluit dat hij geen uitkering wil, geen vast adres, geen huis. Niet nog langer wachten. Al dat wachten had hem geestelijk en lichamelijk uitgeput. Het liefste vertrekt hij direct naar Zuid-Spanje. Naar Tarifa, de Hoofdstad van de Wind. Maar om Nederland te verlaten heeft hij een reisdocument nodig, dus weer wachten. Zijn ervaringen in het gemeentehuis zijn fantastisch. Maar voorlopig is Semmier op zichzelf aangewezen en zo begint zijn zwerftocht op eigen benen door Nederland. Zonder oordeel en met veel respect reist Al Galidi door Nederland. Op zoek naar zichzelf, op zoek naar de Nederlander,op zoek naar werk, vaak via collega asielzoekers. En ja, die komt hij ook zeker tegen. Hilarisch en treurig tegelijkertijd zijn zijn verhalen over de flat Elvis Presley. Ook daar vindt hij onderdak, in een afgelegen verwaarloosde achterstandswijk. De enige Nederlanders die je daar tegen komt zijn van de politie. Verder een opeenstapeling van uitgeprocedeerde , illegale rondzwervende, stikkende mannen. Waar niemand naar omkijkt. Die alleen elkaar hebben om het zelfde lot te delen.
Tot twee keer toe belandt Semmier in een klooster. Voor de nodige rust, om afscheid te nemen van zijn grote liefde Lidewij, om zich voor te bereiden op zijn reis naar Zuid-Spanje. Naar Tarifa, waar hopelijk de wind waait waarvan hij droomt. Prachtig, heftig, ontroerend, humoristisch, dit waardevolle document geschreven door Rodaan Al Galidi. Semmier is altijd vergezeld van een vuilzak met fotoalbums en daar wil hij het volgende over kwijt:”Wat ik wil zeggen met die fotoalbums is: ik hou ervan te verdiepen in de geschiedenis van Nederland. Hoe leefden de mensen vijftig of honderd jaar geleden? Een fotoalbum is een flashback. Maar foto’s zijn misschien ook wel het hardste wat we kunnen zien. Horror. Thrillers. Zie je een foto van jezelf veertig jaar geleden, dan vraag je je af waar die persoon toch gebleven is. Waar is het licht in die ogen? We lijken op een klontje suiker in de thee, maar in ons geval smelten we niet meteen, maar langzaam.”