Op 6 april 1988 werd Nederland overvallen door het nieuws dat de zaak-Heijn, een ontvoering die het land zeven maanden in de ban had gehouden, was opgelost. Gerrit Jan Heijn was dood; in Landsmeer was een werkloze ingenieur gearresteerd. Tim Krabbé was meteen gefascineerd. Hij zocht en kreeg contact, en noteerde 28 jaar lang alles wat hij met en rondom de dader meemaakte. Het resulteerde in een monumentale kroniek van een gezin in ongewone omstandigheden, een verslag van ongewone vriendschappen.
Tim Krabbé is de auteur van bestsellers als Het Gouden Ei, De Renner, De Grot en Marte Jacobs, die ook internationaal succesvol zijn. Verschillende van zijn boeken werden verfilmd.
Tim Krabbé houdt van sensatie en wil graag anderhalve miljoen verdienen.
Nee, opnieuw. Krabbé wil graag de mens Ferdi E. (ontvoerder en moordenaar van Gerrit Jan Heijn) laten zien. En Ferdi E. mag daar zelf niets aan verdienen want dat is niet kies. Hij wordt de nieuwe huisvriend van de vrouw van E. (Els Hupkes) en bezoekt E. na Hupkes het vaakst van iedereen. Het aantal keer (142) noemt hij herhaaldelijk, want dat moeten we onthouden. Ook moeten we weten dat Ferdi en de rest hem meer mochten dan dat ze Twan Huys mochten. Krabbé bezocht hem ook vaker. Krabbé was DE huisvriend en als familie.
Het boek gaat heel veel over Krabbé (en Hupkes en de levens van alle drie de kinderen) en zijn strijd met het boek en wie er geld aan mag verdienen. Maar als Ferdi zinnige dingen over de relatie van Krabbé met zijn broer, blijven die observaties buiten beeld. Dat had me juist een beeld gegeven van een andere kant van E. (en Krabbé).
Als E. nog gevangen zit gaan Krabbe en Hupkes geregeld toeren door Noord-Holland, gaan ze samen eten en bij nood springt Krabbé bij. Hupkes is blij met een vriend als Krabbé en ze schrijven brieven die breed geciteerd worden. Net als de brieven tussen E. en Krabbé en die tussen E. en Hupkes.
In een brief aan Hupkes (1989) schrijft Krabbé: “Ik ben niet “bang” voor de mening van de slachtoffers, al zou ik het naar vinden als ik ze verdrietig maakte. Met verdedigbare motieven zou ik dat voor lief nemen, met onverdedigbare motieven niet. Niet omdat ik dat niet durf, maar omdat ik dat niet wil. “Zou er één joods oorlogsslachtoffer zijn dat begrip zou kunnen opbrengen voor een schrijver die ook aardige kanten van de beul let zien?” schrijf je. Ik begrijp niet eens dat je je dat afvraagt, daar is alleen maar intelligentie voor nodig. En Joden zijn verschrikkelijk intelligent, dat weet iedereen.”
Dat heb ik wel 3 keer moeten lezen. Ik dacht dat hij zich profileerde als intellectueel.
Krabbé schrijft zijn brieven deels tijdens zijn huwelijk. Hij schijft:
“Liz en ik wonen in twee aan elkaar grenzend appartementen – we hebben een muur laten wegbreken, het babykamertje is de sluis. Dat stelt me in staat om nachtenlang aan Els te schrijven. In een interview met Liz lees ik: ‘Ik heb een man die de hele nacht achter zijn computer zit’. Om haar niet wakker te maken en zo te verhullen tot hoe laat ik aan die brieven bezig ben , ga ik soms in het logeerkamertje slapen. Daar staat zij op een nacht in de deuropening. Esra op haar arm. ‘Jij doet niet met ons mee,’ zegt ze. Maar net als Els ga ik door met wat moet - brieven schrijven.”
Van de mens achter Ferdi E. leren kennen komt wat minder, want Krabbé doet het al snel met Hupkes(dat moest er ook even uit bij Krabbé) en durft dat niet aan E. te bekennen. Een aantal keer als het gesprek met E. intiem dreigt te worden, moet hij snel het onderwerp veranderen. Want E. mag niet weten dat hij het met Hupkes (de vrouw van E. deed.
Ook raakt hij nog in de ban van hun dochter en gaat daarmee op reis naar Australië:
“En dan wil ik met haar dochter naar het andere eind van de wereld? Ik moet bekennen, aan mezelf en misschien ook aan haar, dat ik Tamara niet alleen als een kind van vrienden zie, maar ook als een leuk meisje. Niks bijzonder, vaak gebeurd, het is de natuur. Die bedient zich van ons ons, die heeft lak aan gevoelens. Els zal niet meer voor nieuw leven zorgen, maar Tim kan nog even mee. Kom, we zetten een jonge vrouw op zijn pad.”
Vervolgens haakt Krabbé af omdat E. 7 ton aan achterstallige uitkering wegens arbeidsongeschiktheid opstrijkt. Dat kan Krabbé niet met zijn principes verenigen.
Aan het einde van het boek komt E. vrij en overlijdt (2009). Daarna gaat Krabbé toch aan de slag met het lang uitgestelde boek. Hupkes overlijdt in 2016. Hij is bij haar sterfbed en ook dat wordt beschreven.
Krabbé wil een boek schrijven als ‘In Cold Blood’. E. wil ook een boek schrijven: “ik zou niet willen dat mijn boek zo’n gedateerd niemendalletje wordt als “In Cold Blood”. Mijn ambities voor mijn boek reiken veel hoger, ik wil een boek schrijven dat opgenomen wordt tussen: Erasmus, Cervantes, Swift, Beer, Hofstadter, Koestler, Bakoenin, Constandse, Lehning, Breytenbach, Pinter, Canetti, Oeffler, Shaeakspear, Toonder, Hergé, London, Machiavelli.’
Het boek van E. is er niet gekomen. (Hupkes heeft wel een boek geschreven: “De kleine Britt”). Het boek van Krabbé lijkt me geen klassieker worden. Het komt erg traag op gang. Het venster op E. en zijn gezin is interessant, maar je moet je dan wel door 793 pagina’s met veel herhaling en de wereld van de onbescheiden Krabbé worstelen. Krabbé vindt de driehoeksverhouding zelf reuze interessant. Als lezer denk ik daar anders over. Een kort boek over Ferdi E en zijn gezin in zo’n 200 tot 300 bladzijdes had heel boeiend kunnen zijn.
Pas na een paar honderd (!) bladzijden werd ik als lezer wat meer gegrepen door Krabbés vuistdikke, al te pretentieuze, "Vrienden"-dagboek. Egocentrisme en maatschappelijke onaangepastheid vieren hierin hoogtij - niet alleen bij Heijn-moordenaar Ferdi E., maar ook bij diens vrouw Els, zoon Thomas en, tot op zekere hoogte, de schrijver. Het zou de leesbaarheid van het boek erg ten goede zijn gekomen, als de tekst in ieder geval was geschoond van ettelijke herhalingen. Misschien hadden bij een dergelijke exercitie in één moeite door taalkundige correcties kunnen worden aangebracht op punten als het ten onrechte niet aan elkaar schrijven van samengestelde woorden en de, in het hele boek door opduikende, onjuiste accentuering door middel van een klemtoonteken (geen accent grave, maar accent aigu). Teleurgesteld in de persoon van schrijver Tim Krabbé, van wie ik overigens diverse zeer genietbare boeken heb gelezen, ben ik in die zin dat hij in "Vrienden" in zijn denken over misdaad en straf erg simplistisch om niet te zeggen reactionair om de hoek komt kijken. Zelfs in geval van een ontoerekeningsvatbare dader, waarin deze zijn delict dus heeft gepleegd onder invloed van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, zou vergelding op zijn plaats zijn. Vergelding wordt bovendien slechts vrijblijvend ter sprake gebracht als 'pijler' of 'element' van bestraffing, Krabbé kiest voor oppervlakkigheid door in zijn denken en schrijven hierover iedere (toetsbare) doel-middelrelatie achterwege te laten. Van een schrijver die zich tientallen jaren min of meer obsessief heeft beziggehouden met een daad-dadercomplex als aan de orde in de zaak van de ontvoering van en moord op Gerrit Jan Heijn (1987), hadden zijn lezers te dier zake toch wel wat meer mogen verwachten. Iets dergelijks geldt met betrekking tot de beschrijvingen van verschillende (andere) strafrechtelijke en strafprocessuele kwesties die, logischerwijs, eigenlijk het hele boek door aan de orde zijn. Niet zelden mankeert daar wat aan, in juridisch opzicht. Wellicht had advocaat Wim Anker, op sommige plaatsen toch al prominent aanwezig in het boek, of een andere strafrechtspecialist hier eens naar moeten kijken. Ten slotte: mocht het bovenstaande de indruk wekken dat ik me moeite door het onderhavige boek heen heb geworsteld, dan is dat geenszins mijn bedoeling. Afgezien van die eerste paar honderd bladzijden, nam ik het toch wel gretig ter hand om verder te lezen.
Vrienden van Tim Krabbe gaat over zijn omgang met Ferdi E en de vrouw van Ferdi, Els Hupkes. Het is een heel interessant boek want het geeft veel inzicht in wat voor een persoon Ferdi was en wat de context was waarin hij overging tot een van de meest geruchtmakende moordzaken van de jaren 80. Het boek is een volledig chronologisch verslag van brieven en dagboekfragmenten van 1988 tot 2016 en geeft naast Ferdi en Els ook een duidelijk beeld van de ik-persoon, Tim Krabbe zelf. Wie zijn deze mensen, wat gebeurde en gebeurt er in hun levens, en waarom handelen ze zo? Vooral Ferdi en Els worden duidelijk beschreven en langzaam wordt duidelijk waarom Ferdi zo heeft gehandeld, en ook met wat een enorme schuld het gezin werd opgezadeld. Teveel. Het is ook boeiend en moeilijk te begrijpen waarom Els toch van Ferdi blijft houden. Het zal wel liefde zijn. Maar ook Tim Krabbe zelf komt veel in beeld. Ik vind zelf niet van zijn meest positieve kant. Els en de kinderen tenslotte worden beter beschreven in het parallelle boek de kleine Britt van Els Hupkes zelf. Wat was het dat Tim Krabbe dreef om dit boek te schrijven? Interesse? Obsessie? Commitment? Vriendschap? Dan toch vooral de vriendschap met Els en haar kinderen... Met Ferdi blijft de vriendschap moeizaam. In eerste instantie geloofde Tim Krabbe misschien nog dat een boek er moest komen vanwege zijn eerdere ervaring met schrijven over een moordenaar. Maar later als ze er niet echt uitkomen hoe het boek dan geschreven moet worden blijft het liggen. Dan is het contact natuurlijk al wel gelegd, en hij blijft gestructureerd alles noteren. Tegen de tijd dat we 25 jaar verder zijn, en Ferdi al overleden is, heeft Tim Krabbe gedacht, al die notities, een half levenswerk, het moet er toch maar eens van komen. Ik denk echter dat het vooral zijn vriendschap met Els is geweest die ervoor gezorgd heeft dat hij ook zijn interesse in Ferdi bleef houden.
Vrienden heeft de derde van mijn sterren verdiend in de laatste veertig pagina's. Hoewel ik het uiteindelijk dus tot het einde heb uitgelezen, was ik er 750 pagina's van overtuigd dat ik het niet meer dan twee zou toekennen.
Met Vrienden heeft Krabbé schijnbaar 25 jaar aan vrijwel onbewerkt materiaal tussen twee kaften geschoven en het resultaat aan zijn uitgever overhandigd. Brieven, dagboekaantekeningen, losse notities en gedachten, voorzien van datums (en soms tijdstippen), bronvermeldingen, maar vrijwel nergens van duiding of inzicht. Heeft Krabbé gemeend dat het materiaal voor zich moest spreken? Had hij geen trek meer in het aaneensmeden van deze enorme berg ruw erts tot een coherent geheel?
Wat hem ook heeft bezield, het resultaat is een Heel Lang Boek, waarin dezelfde paden telkens weer worden bewandeld, Ferdi E, zijn vrouw Els en Tim zelf zich eindeloos herhalen, en geen enkele vorm van lering of ander vooruitgang zichtbaar wordt.
Ik vroeg me bij het lezen ook doorlopend af wat Krabbé bezielde om al die tijd te besteden, en zo obsessief gericht te blijven op het echtpaar E, een obsessie die op zijn scherpst wordt geïllustreerd als zowel de verkrachting van de ene dochter, als de dreigende beenamputatie van de andere, tussen neus en lippen door met een halve zin worden aangestipt. Krabbé is maar in één ding geïntereseerd: diret uit de bronnen alles opzuigen wat er over de zaak-Heijn, en over het gezin van de dader, op te zuigen valt.
Wat dat betreft had het boek in plaats van Vrienden ook Egoïsten kunnen heten; de relaties tussen de drie hoofdfiguren lijkt eerder parasitair dan symbiotisch, drie mensen die geïnteresseerd zijn in wat ze zelf uit hun driehoeksverhouding kunnen halen en nauwelijks echt in elkaar. Krabbé verzucht om de zoveel pagina's dat Ferdi nooit echt berouw heeft getoond en zelden of nooit emoties laat zien. Maar hij legt Ferdi daarbij volledig langs zijn (Krabbé's) meetlat, zonder ooit echt te pogen zich in te leven in wie Ferdi echt was.
Daarmee is Vrienden, ondanks de extreem talrijke en gedetailleerde informatie over de zaak-Heijn en de familie E, vooral een boek geworden over Tim Krabbé. Geen familiekroniek, maar een kijkje in de ziel van een schrijver die zich obsessief verliest in zijn onderwerp, en voor wie uiteindelijk zijn boek voor alles gaat.
Pas helemaal aan het eind, als de ellenlange, dagboekachtige kroniek samenkomt met de periode waarin Krabbé toekomt aan het samenstellen van het boek, reflecteert hij eindelijk op de 750 pagina's ervoor. Pas daar ontsteeg het boek voor mij de literaire matigheid van de tekstuele onmatigheid.
Ik raad Vrienden alleen aan als je geboeid bent door de zaak-Heijn, of (zoals ik als research voor een eigen boek) in ontvoeringen in het algemeen, of in Tim Krabbé, of in de schrijversziel in het algemeen.