For the last five decades, the Dani of the central highlands of West Papua, along with other Papuans, have struggled with the oppressive conditions of Indonesian rule. Formal education holds the promise of escape from stigmatization and violence. Dreams Made Small offers an in-depth, ethnographic look at journeys of education among young Dani men and women, asking us to think differently about education as a trajectory for transformation and belonging, and ultimately revealing how dreams of equality are shaped and reshaped in the face of multiple constraints.
Recensie in Volkskunde 2021, 122-3 In 2006, meer dan veertig jaar nadat Indonesië het gezag over Papua (het westelijk gedeelte van Nieuw-Guinea dat onder Indonesië valt) in 1963 verkreeg, bezoekt de Indonesische president Susilo Bambang Yudhoyono (aka SBY) voor het eerst de bevolkingsgroep de Dani in Wamena, de hoofdstad van de hooglanden. Een uitzonderlijke gebeurtenis die met heel wat politiemaatregelen gepaard ging, waarbij de Dani toch op een redelijke afstand werden gehouden. Toch vertelt SBY dat het vanaf dan anders zal zijn en dat de Papoea´s meer kansen moeten krijgen. Hierbij dient aangestipt dat voor veel Dani de kolonisatie niet is gestopt, maar dat ze gewoon van kolonisator zijn gewisseld. De provincie Papoea (het vroegere Irian Jaya) is een verregaand achtergesteld gebied dat wordt geteisterd door honger en armoede, maar ook door veel geweld en een stuitend gebrek aan scholing. Door transmigratie (vanuit de andere eilanden) krijgt de plaatselijke bevolking vaak geen enkele kans om zich op te werken. Sommige steden zoals Jayapura hebben al meer dan vijftig procent inwoners van de andere eilanden. Zo heb ik zelf beleefd dat de plaatselijke reisgidsen steeds minder kans maken om toeristen in het binnenland te begeleiden omdat Javanen en zelfs Japanners hun plaats innemen. De meeste Dani spreken enkel hun thuistaal en wat Bahasa Indonesia, waardoor toeristen vaak daarom die niet-lokale gidsen verkiezen. Maar SBY beloofde dat het anders zou worden en dat de Papoea´s kansen op beter onderwijs zouden krijgen, door aan betere scholen te studeren. Zoals in Manado, de hoofdstad van Noord-Sulawesi. Met andere woorden een droom voor de jonge Dani die wegwillen van de stigmatisatie en het geweld waarmee ze altijd worden geconfronteerd en waardoor ze zich tweederangsburgers voelen in hun eigen hooglanden van Centraal Papoea. Voor de Indonesische president was het duidelijk dat hij de Papoea´s ervan moest overtuigen dat ook zij Indonesiërs zijn en dat ze gelijke kansen hebben als elk ander kind van de immense archipel. Een moeilijke taak. Maar onderwijs is/lijkt daarbij de stepping stone om die lange weg waar te maken en de kloof met de andere eilanden te dichten. Een kloof die in vele hoofden aanwezig is door telkens maar de term stenen tijdperk te gebruiken, wanneer het om Papoea’s gaat. Men wijst daarbij graag naar de koteka (peniskoker) of de noken (geweven draaghoofdtas) naar uiterlijke tekenen van primitiviteit, maar het zijn eerder tekenen van stigmatisering, want de Papoea´s hebben sinds hun aansluiting bij de Republiek Indonesië het lastig met de vaak gewelddadige onderdrukkingsmaatregelen van het staatsregime. En dat staatsgeweld is gebaseerd op een soort foute logica van Indonesische superioriteit. Postsecundair onderwijs is slechts voor een minderheid (minder dan vijf procentpunten) weggelegd. Analfabetisme ten gevolge van gebrek of afwezigheid van scholing is angstwekkend hoog. En net daarom waren de woorden van SBY toch enigszins hoopgevend. Munro, docent aan de University of Queensland (Australië), onderzoekt of die woorden ook effect hebben gehad. Daarvoor volgt ze een groep Dani studenten die in 2005 naar Manado (Noord-Sulawesi) worden gestuurd en daarna naar Wamena terugkeren. Volgen betekent letterlijk bij en met hen leven, empirisch waarnemen: zeven maanden op Sulawesi en daarna twee maanden in Wamena (Baliemvallei), waarbij ze deelnam aan de dagelijkse activiteiten van de studenten. Een van de redenen voor de keuze op Sulawesi heeft te maken met het christelijke karakter van de universiteit in het grootste moslimland ter wereld. Buiten hun eigen eiland studeren heeft een hoger aanzien en de studenten hopen op die manier meer kennis op te doen en iets te kunnen betekenen in de ontwikkeling van hun thuisland door de kloof te dichten tussen de Dani leefwereld en de Indonesische. Tegelijkertijd kan worden vastgesteld dat ondanks de vele beloften van de huidige president Joko Widodo de situatie voor de Dani danig verslechterd is, waarbij zelfs de Papoeabevolking van de kust op de Dani uit het centrale hoogland neerkijken. Raciaal geweld is hiervan het gevolg. Dit boek gaat meer over mannen, omdat de stigmatisering (o.a. de peniskoker) hen meer treft dan de vrouwen die als nog minderwaardiger worden beschouwd. De verdienste van dit werk ligt in de nauwgezette manier waarop Munro tewerk gaat in het vaststellen van dit parcours van opleiding van een bevolkingsgroep die zichzelf (orang Papua) niet als Indonesisch (orang Indonesia) beschouwt, alhoewel ze strictu sensu natuurlijk wel Indonesische burgers zijn, maar dat betekent meteen dat ze tijdens hun studieperiode op een ander eiland als migranten worden beschouwd. In grote lijnen stelt ze vast dat grote toekomstdromen botsen op praktische bezwaren en grenzen, waardoor die dromen uiteindelijk klein worden, zoals in de titel wordt meegegeven. Munro neemt ons mee op die hele tocht, vertrekkend vanuit de Baliemvallei via Sulawesi en terug naar de Baliem. Op de universiteit van Manado vallen ze onmiddellijk op als vreemd en achterlijk, deels omdat ze – wegens ontbrekende financiële middelen – verder leven en wonen zoals thuis. Hierdoor wordt het stigma alleen maar erger en de afstand tot en de vrees van de plaatselijke bevolking alleen maar groter, wat dan weer bij de Dani resulteert in schaamte en verwarring. Munro toont daarna aan dat de universitaire campus net een site is waar de Dani studenten worden uitgebuit en als gevolg daarvan afhaken omwille van het openlijke racisme, niet enkel van medestudenten maar ook van universiteitsprofessoren. De auteur delft ook echt wel diep door binnen de microkosmos van de eigen Danigroep de relaties te bestuderen: ook daar zijn er heel wat spanningen tussen de verschillende groepjes Dani, Lani en Yali. Munro bekijkt ook hoe deze jonge mensen – ver weg van het ouderlijk gezag – zich gedragen op het gebied van seksualiteit, huwelijk en zwangerschap. Ze zet dit af tegen de manier waarop de Indonesiërs dit beleven. In het slothoofdstuk stelt Munro dat het behalen van een diploma op het thuisfront niet zo’n enorm verschil maakt met het oog op de relaties met de andere Indonesiërs. Onderwijs helpt bij de Dani uiteindelijk niet in die mate dat ze reuzensprongen vooruitmaken, maar het helpt wel enigszins om de diminishment of de bagatellisering van de Dani wat aan te vechten. De empirische aanpak van Munro zorgt voor een sterke studie van een volk dat het in alle opzichten moeilijk heeft en voortdurend met raciale spanningen en stigmatisering moet leven. Maar tegelijkertijd is dit slechts een momentopname van vijftien jaar geleden die in de snel veranderende situatie van vandaag ondertussen al anders – dus raciaal nog erger - kan zijn, aangezien het Papoeavraagstuk een kruitvat is dat – ver weg van de internationale media en camera’s – af en toe ontbrandt en tot bloedige conflicten leidt in plaats van diplomatisch overleg. Wat niet wegneemt dat dit een moedige etnografische studie is die in Jakarta niet onmiddellijk op handgeklap zal worden ontvangen.