Gaven, giften en vergiften is de openhartige briefwisseling van de arts-schrijvers Willem Brakman en Simon Vestdijk, beiden auteurs van een monumentaal oeuvre. In deze correspondentie, die loopt van 1961 tot 1969, is er één onderwerp dat vanaf de eerste brief dominant aanwezig is en dat een nieuw licht werpt op de relatie tussen beide schrijvers: de wederzijdse ervaringen met zwaarmoedigheid en hun kennis van het gebruik van antidepressiva als tofranil, largactil en librium. Brakman groeit uit tot pillenleverancier van de veelschrijver in Doorn, die in ruil tips geeft over muziek. De toon in de brieven blijft, ondanks Vestdijks strijd tegen ‘de wisseling van hemel en hel’ en de angst voor afnemende potentie, licht en humoristisch.
Gaven, giften en vergiften is opmerkelijk actueel in de beschrijvingen van de zielenroerselen over depressies en het vinden van het juiste medicijn. Nico Keuning stelde de briefwisseling samen.
Willem Pieter Jacobus Brakman (Den Haag, 13 Juni 1922- Boekelo, 8 mei 2008) Was een Nederlandse schrijver. In de periode tussen 1961 en 2004 publiceerde hij in totaal 51 romans, verhalen, novellen en een enkel essay. Daarmee is hij een van de meest productieve naooglogse Nederlandse schrijvers. Hij heeft drie van de belangrijkste literaire prijzen op zijn naam staan.
1962: Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor 'Een Winterreis' 1972: De Ferdinand Bordewijk Prijs voor 'Zes subtiele verhalen' 1980: De P.C Hooft-prijs voor zijn gehele oeuvre
'Je bent vlak bij de totale waarheid en je raakt steeds verder van een punt verwijderd. Dit lezen, deze tovervijver, brengt me in een staat van gelukzaligheid. Eenvoud als een stralend uitroepteken op het ingewikkelde neerslachtige humor om het leven weer een poosje mee aan te kunnen mozaïeken van zinnen en woorden die op de een of andere manier heerlijk meeslepen.' Jan Mulder (De Volkskrant)
‘Wat mag het raadsel van uw arbeid wezen?’ vroeg Adriaan Roland Holst zich af, denkend aan de enorme productiviteit van Simon Vestdijk. De sleutel van dat geheim lag in de depressies die Vestdijk vanaf jonge leeftijd teisterden. Eén of twee keer per jaar werd hij erdoor overvallen en lag hij een paar weken voor dood in zijn bed. Dat bepaalde zijn leven in alle aspecten. Het maakte hem ongeschikt als huwelijkskandidaat, waardoor hij gemakshalve bij zijn hospita bleef die hem verzorgde.
Deze Ans Koster was vertrouwd voor Vestdijk, deed uit liefde werkelijk alles voor hem, wat hem prima uitkwam, maar kreeg er weinig passie voor terug en moest verduren dat Vestdijk tijdens zijn goede periodes (tussen twee depressies door) aan de zwier ging met andere vrouwen, om uiteraard telkens weer terug te keren en zich door haar te laten verplegen als de onvermijdelijke depressie weer toesloeg.
Een andere consequentie van de periodieke depressies was dat Vestdijk ongeschikt was voor een ‘normale’ baan. Ook als arts kon hij niet werken. Romans schrijven viel wel te combineren met de ziekte, op voorwaarde dat het werk steeds af was voordat de duivel van de depressie, wiens hete adem hij constant in zijn nek voelde, hem weer te pakken kreeg. Dáárom schreef Vestdijk sneller dan God kon lezen.
Eén keer lukte het niet en kwam de duisternis op een moment dat de roman nog niet af was. Vestdijk voltooide hem na zijn herstel alsnog, maar Het vijfde zegel bleef een stiefkind in zijn oeuvre. Het was de enige roman die hij niet aan zijn jonge bruid voorlas, toen hij na de dood van Ans Koster op zijn oude dag in het huwelijk was getreden met een jonge bewonderaarster.
Het was ook door de terugkerende depressies dat Vestdijk zijn leven lang op zoek was naar de juiste drugs om het monster op een afstand te houden. Als afgestudeerd medicus wist hij natuurlijk wel wat van medicijnen af, maar omdat hij niet praktiseerde kon hij er maar moeilijk aan komen. Een vriendschap met een wat jongere schrijver en bewonderaar, tevens praktiserend arts, was daarom bijzonder functioneel.
Willem Brakman, want hij was het, blijkt – oneerbiedig gezegd- de huisdealer van Vestdijk te zijn geweest. Beide heren schrijven over pillen en poeders, met de bijbehorende psychische en lichamelijke effecten, als volleerde kenners. Herman Brood had er nog een puntje aan kunnen zuigen.
De aanleiding voor een briefje van Vestdijk aan Brakman was toch vooral: ‘De bodem van het doosje is te zien en naar het schijnt ben ik nog lang niet van plan ermee op te houden. Dank, dank.’ Een typerende openingszin van het antwoord van Brakman was dan: ‘Natuurlijk zend ik je graag 99 stuks à 5 mg.’
Vestdijk was steeds op zoek naar werkzame, adequate middelen tegen de depressie, maar was, zo blijkt uit de brieven, toch ook wel erg gehecht aan de ‘lichte euforie’ van sommige pillen. En om de jonge bruid niet teleur te stellen waren potentieverhogende chemicaliën natuurlijk welkom. Brakman werd weer aan het werk gezet en kennelijk waren de geleverde middelen effectief, want de oude bard kreeg rond zijn zeventigste alsnog twee gezonde kinderen van zijn vijftig jaar jongere bruid.
Het gebedel om drugs werd door Vestdijk opgeleukt en door Brakman beantwoord met corpsbalachtige lolligheden, soms met een zweem van humorvolle grappigheid, maar meestal stomvervelend. Gezamenlijke kennis Nol Gregoor (en diens liefdesleven) vormde ongeweten telkens weer het mikpunt van spot.
Wie van deze vooraanstaande schrijvers brieven van het niveau van de correspondentie van Toergenjev of Flaubert verwacht, komt bedrogen uit. Wel lezen we dat Vestdijk alleen kon schrijven als hij rookte: ‘2 sigaretten en 2 cigarillo’s.’
Als e-book geleend, omdat ik me vier sterren herinnerde voor dit vorig jaar gepubliceerde boek. De vier sterren snap ik wel, want de briefwisseling is geschreven door twee grootvorsten van de literatuur. Maar voor mij als plezier- en veellezer is het een hoop gezemel over medicijnen tegen slapeloosheid en depressies en geroddel over hun gezamenlijke vriend Nol Gregoor. Al vraag ik me af of kluizenaar Vestdijk wel vrienden heeft gehad. Gregoor woonde ook in Doorn en was meer een bewonderaar-stalker van de schrijver.