This pioneering study charts the one-way traffic of cultural and historical objects during five centuries of European colonialism. It presents abundant examples of disappeared colonial objects and systematizes these into war booty, confiscations by missionaries and contestable acquisitions by private persons and other categories. Former colonies consider this as a historical injustice that has not been undone. Former colonial powers have kept most of the objects in their custody. In the 1970s the Netherlands and Belgium returned objects to their former colonies Indonesia and DR Congo; but their number was considerably smaller than what had been asked for. Nigeria’s requests for the return of some Benin objects, confiscated by British soldiers in 1897, are rejected. As there is no consensus on how to deal with colonial objects, disputes about other categories of contestable objects are analyzed. For Nazi-looted artworks the 1998 Washington Conference Principles have been widely accepted. Although non-binding, they promote fair and just solutions and help people to reclaim art works that they lost involuntarily. To promote solutions for colonial objects, nine Principles for Dealing with Colonial Cultural and Historical Objects are presented, based on the Washington Conference Principles. The nine are part of a model to facilitate mediation in disputes about them. This model can help to break the impasse in negotiations between former colonizers and colonies. Europe, the former colonizers, should do more pro-active provenance research into the acquisitions from the colonial era, both in public institutions and private collections. “This is a very commendable treatise which has painstakingly and with detachment explored the emotive issue of the return of cultural objects removed in colonial times to the metropolis. He has looked at the issues from every continent with clarity and perspicuity.” Prof. Folarin Shyllon (University of Ibadan) “Momumentaal werk van hoge kwaliteit. Het hoofdstuk over Congo is bijzonder goed gedocumenteerd en leerrijk” Dr. Guido Gryseels (Director-General of the Royal Museum for Central Africa in Tervuren) CLUES is an international scientific series covering research in the field of culture, history and heritage which have been written by, or were performed under the supervision of members of the research institute CLUE+.
Table of Contents
Part Introduction
Chapter 1: A neglected issue in an evolving world 1.1. Decisive 1.2. Changes that matter 1.3. Main questions and approaches
Chapter 2: On colonial cultural objects 2.1. Return 2.2. Cultural objects 2.3. Typology of colonial cultural objects 2.3.1. Gifts to colonial administrators and institutions 2.3.2. Objects acquired during private expeditions 2.3.3. Objects acquired during military expeditions 2.3.4. Missionary collecting 2.3.5. Archives
Part Colonialism and cultural objects
Chapter 3: Colonial expansion 3.1. Early migration of objects to Europe 3.2. Meagre protection
Chapter 4: Settler and exploitation colonialism 4.1. Peak in migration of objects 4.2. Protection and preservation measures
Chapter 5: Decolonisation, the first claims and the ongoing seepage of objects 5.1. Whimsicalities in collecting 5.2. Early calls for return 5.3. Drain of cultural objects before and after independence 5.4. Decolonisation an unresolved conflict
Part Colonial cultural objects and the law
Chapter 6.: Increasing protection? 6.1. Hard law international instruments 6.2. Soft law international instruments 6.2.1. Instruments for the repatriation of human remains 6.2.2. Instruments for the restitution of Nazi-looted art 6.2.3. A human rights and a justice perspective
Part Ambiguities between the Netherlands and Indonesia
Chapter 7: The 1975 Joint Recommendations 7.1. Cultural heritage policy until 1949 7.2. Negotiations between 1949 and 1975 7.3. Towards an agreement 7.4. Dynamics of the agreement’s implementation
Chapter 8: New insights into the Joint Recommendations 8.1. New research findings 8.2. The 1975 lessons for other bilateral negotiations
Part Approaches in other bilateral agreements
Chapter 9: The 1970 agreement between Belgium and Congo 9.1. Cultural policies up to independence 9.2. Deliberations and transfer of objects
Chapter 10: Nordic model for Denmark, Iceland and Greenland? 10.1. Scandinavian colonialism 10.2. Danish colonial collecting 10.3. Ancient sagas back to Iceland 10.4. Peculiar agreement with Greenland
Chapter 11: Melanesian model for Australia and Papua New Guinea? 11.1. Colonial collecting in Papua New Guinea 11.2. The process of return
Chapter 12.: The Benin Dialogue (2010 – ….) 12.1. Dispersal over Europe and North America 12.2. Prelude to the dialogue 12.3. The dialogue 12.4. Elements for the model
Part New insights, a new approach
Chapter 13: The neglected effect of colonialism 13.1. Towards an overview of the colonial one-way traffic 13.2. Overview of returns so far 13.3. Returns and oth...
Op de cover van dit boek lees je dat Jos van Beurden een pioneering study heeft gemaakt. Dergelijke beweringen zijn vaak gratuit en willen alleen maar de mogelijke geïnteresseerde lezer tot kopen aanzetten. Voor een recensent is het dus duidelijk oppassen geblazen en kijken of de auteur zijn belofte kan waarmaken. Wel, in dit geval kun je als lezer op beide oren slapen. Met dit boek heeft de auteur meteen de vraag van culturele objecten, kolonialisme en teruggave – een issue die veel te lang onder de mat werd geveegd – duidelijk(er)op de kaart gezet en de discussie hopelijk een definitief elan gegeven. Met een hele waaier aan voorbeelden toont van Beurden dat er misschien wel verschillende categorieën bestaan in het cultureel erfgoed, maar dat het eigenlijk altijd gaat om ontvreemde artefacten. Op een relatief kleine teruggave na blijven de meeste objecten uit het koloniaal verleden van de Lage Landen in Belgische en Nederlandse musea, privécollecties en andere publieke verzamelingen. De omgang met deze objecten is ook niet altijd eenvoudig. Is er bijvoorbeeld een verschil tussen koloniale objecten en kunstwerken die door de Nazi’s werden ontvreemd (en waarvoor ondertussen een bevredigende oplossing is). Een snel positief antwoord doet waarschijnlijk afbreuk aan de authentieke vraag van de vroegere kolonies. Een discussie over een rechtvaardige oplossing dringt zich op, ook al is er niet altijd veel overeenkomst tussen de vroegere kolonies en de kolonisatoren. En het is net op dit gebied dat Van Beurden inderdaad pionierswerk heeft verricht. Dit boek is de uitwerking van het proefschrift waarmee de auteur in 2016 doctor is geworden en waarin hij stelt dat het hoog tijd is dat de vroegere kolonisatoren en alle andere actoren op een proactieve manier de herkomst van voorwerpen moeten onderzoeken om tot een faire oplossing te komen die alle partijen kan bevredigen, los van emotionele banden met het voorwerp, het verleden en het vroegere gebruik. In het eerste, inleidende hoofdstuk stelt Jos van Beurden dat we ons moeten hoeden voor oversimplificatie in het behandelen van dit onderwerp. Daartoe werkt hij met drie onderzoeksvragen: 1. Hoe kan het verlies van culturele en historische schatten tijdens het Europese koloniale tijdperk in kaart worden gebracht?; 2. Welke lessen kunnen we trekken uit de manier waarop andere gecontesteerde categorieën van dergelijke schatten werden behandeld?; en 3. Hoe kan er een overlegmodel worden opgesteld voor de toekomst van culturele objecten die tijdens koloniale tijden werden verkregen, inclusief een mogelijke teruggave? Het moge duidelijk zijn dat het antwoord op die drie vragen een interdisciplinaire aanpak vergt, die onder andere steunt op geschiedenis en recht. Jos van Beurden poogt in de laatste hoofdstukken om die drie vragen te beantwoorden. Een antwoord op de eerste vraag maakt duidelijk dat er een massaal eenrichtingsverkeer naar Europa heeft plaatsgegrepen en dat er tot op heden slechts een fractie van al het verplaatste culturele erfgoed in kaart is gebracht. En van wat er in kaart is gebracht, is slechts een klein deel terug naar het land van oorsprong gegaan. En dat was dan nog veel eerder incidenteel dan wel structureel, maar het valt toch moeilijk om hierin een algemene lijn te ontdekken. Bovendien wordt een dergelijke teruggave vaak gezien als een instrument in de onderlinge culturele diplomatie. Van Beurden poogt vervolgens richtlijnen op te stellen om in de toekomst op een intelligente manier de discussie over een mogelijke teruggave van artefacten in goede banen te leiden. Daartoe heeft hij als basis the 1998 Washington Principles adapted for Colonial Objects gebruikt en aangepast. Begrippen als bewustzijn en engagement zijn hierbij kernwoorden om tot een bevredigende oplossing van het probleem te komen. Daarnaast heeft hij een tool in zeven fases ontworpen voor toekomstige onderhandelingen, precies bedoeld om conflicten die een correctieve rechtmatigheid behoeven te behandelen. In een tweede hoofdstuk zoekt de auteur een weg tussen de vele woorden die met teruggave te maken hebben. Haast al die (Engelse) woorden beginnen met het prefix re-, wat erop wijst dat voorwerpen niet noodzakelijk een one-way-ticket hebben, maar juist terug kunnen naar hun plaats van oorsprong. Maar tegelijkertijd zijn er heel wat implicaties, niet in het minst wettelijke. Van Beurden legt uit wat een cultureel object is. En omschrijft het als een tangible thing. Hij toont meteen aan dat het begrip identiteit niet altijd voldoende is om een cultureel object aan het land van herkomst te linken, maar dat bijvoorbeeld geschiedenis ook een erg belangrijke factor is, zoals hij aantoont met het voorbeeld van Nefertiti. Een typologie van de koloniale culturele objecten maakt duidelijk dat het ene voorwerp niet het andere is. En vooral dat er heel wat verschillende vormen van verwerving bestaan: van volledig legale verwerving tot oorlogsbuit. En alles wat daar tussen ligt, waarbij de missionaris ook duidelijk een belangrijke rol heeft gespeeld: verzamelen, maar ook vernietigen (religieuze voorwerpen). Ik vind het hier wat spijtig dat de auteur het enkel heeft over materieel erfgoed. Hij had hier – uiteraard weliswaar in veel beperktere vorm – ook het immateriële erfgoed kunnen invoegen. Archivalische materialen over immateriële uitingen zijn op dezelfde manier naar de kolonisator gevloeid en behoren evenzeer tot dat erfgoed dat in aanmerking zou kunnen komen voor teruggave. In de volgende hoofdstukken ligt de focus vooral op het enorm uitgebreide eenrichtingsverkeer van culturele en historische goederen vanuit de kolonies naar Europa. Dat gebeurt aan de hand van de vijf types van verwerving vanaf het begin van de vijftiende eeuw via de koloniale bezetting tot aan de dekolonisatie en de beginnende vragen tot teruggave. Onvermijdelijk komt dan ook de legale kant van de zaak aan de orde, de auteur is dan ook jurist van opleiding. Ook op dit vlak is er een enorme evolutie waar te nemen. Erg begrijpelijk omdat de toestanden bij de beginnende kolonisatie helemaal niet te vergelijken vallen met de eerst langzame en daarna toenemende bescherming van het culturele erfgoed. Het is nu natuurlijk niet meer zo eenvoudig om cultureel erfgoed uit een ander land te ontvreemden, maar we hebben wel een toestand waarin honderdduizenden voorwerpen voor de dekolonisatie naar Europa zijn gestroomd. Jos van Beurden commentarieert de relevantie van de UNESCO- (1970) en de UNIDROIT-conventies (1995) over deze materie. Hij benoemt deze conventies als harde juridische internationale instrumenten en vult dat aan met zachte juridische elementen, vaak ook op hoog niveau en met wisselend succes van weigering tot teruggave. Ook hier lardeert Van Beurden dit met een hele rits voorbeelden. In de volgende zes hoofdstukken toetst Jos van Beurden de theorie aan de praktijk. Hierbij bestudeert hij begrijpelijkerwijze in eerste instantie de casus van Nederland en Indonesië. Hij doet dit aan de hand van zijn theoretische typologie die hij in het eerste gedeelte voorstelde en volgens de beschreven periodes in de kolonialisering van de Indonesische archipel. Ondanks bewarende maatregelen zijn er tienduizenden objecten naar Nederland verscheept. De besprekingen hierover verlopen in eerste instantie na de onafhankelijkheid vrij moeilijk en gespannen, maar langzaam aan treedt er toch een zekere ontspanning op. Dat resulteerde wel niet in een massale teruggave van objecten. Uiteindelijk werd er toch in 1975 een overeenkomst bereikt. Sindsdien werd vaker onderzocht hoe culturele voorwerpen uit de koloniale periode werden verkregen en daarbij werd vastgesteld dat bij heel wat voorwerpen vragen kunnen worden gesteld. Er moet ook worden vastgesteld dat ondanks de overeenkomst niet zo gek veel voorwerpen werden/worden teruggegeven. Een nieuwe stap lijkt de interesse en betrokkenheid van andere dan de beide overheden, zoals minderheden of inheemse bevolkingsgroepen. De volgende hoofdstukken beschrijft de auteur hoe de zaken volgens bilaterale akkoorden in ander casussen werden aangepakt: casus Denemarken-IJsland-Groenland (een goede aanpak), casus Australië-Papoea Nieuw Guinea en de casus Benin. Er is ook een hoofdstuk gewijd aan België en zijn vroegere kolonie Congo. Het hoeft geen betoog dat ook België vrij massaal en – in vergelijking met Nederland als een eeuwenlange kolonisator – op vrij korte tijd heel veel culturele artefacten naar het moederland verscheepte, voornamelijk na oneigenlijke verwerving. Ook hier speelden de missionarissen een belangrijke rol. Iconoclasme en verscheping (van voornamelijk religieuze voorwerpen) zorgden voor een ware roofbouw op het culturele erfgoed van de kolonie. Ook hier kwamen na de onafhankelijkheid in 1960 snel aanvragen voor repatriëring van het culturele erfgoed, maar ook in dit geval is er slechts een heel klein aantal voorwerpen terug naar het land van oorsprong gegaan. Op dit ogenblik staat samenwerking op dit vlak op een erg laag pitje, ook en vooral door de precaire en instabiele politieke situatie in Congo. Net zoals bij de Nederlands-Indonesische relatie is er ook in de Belgisch-Congolese case in ieder geval sprake van een economisch element, waarbij de vroegere kolonisatoren de teruggavepolitiek gebruiken als een instrument om hun economische interesses in de vroegere kolonies te vrijwaren. Doorheen het boek zijn er heel wat kaders met interessante informatie met gulle hand verspreid. Zowel met voorbeelden van koloniaal erfgoed als interessante informatie over personen, landen of toestanden. Hij gaat dieper in op particuliere dingen of interessante mijmeringen over bepaalde toestanden en vragen. Een uitgebreide bibliografie verschaft de lezer en wetenschapper genoeg kans om zich verder op de materie toe te leggen. Een minpunt is de eerder onhandige en niet zo transparante index. Twee voorbeeldjes: Benin Dialogue vind je onder het lemma Europa, en Groenland enkel onder het lemma Denemarken. Niet zo eenvoudig om dit terug te vinden als je iets wil opzoeken over Benin of Groenland. Maar het eindresultaat is een schitterend werk dat meer is dan een aanzet om opnieuw te gaan onderhandelen over de toekomst van koloniaal cultureel erfgoed, waarbij we - samen met de auteur – alleen maar kunnen hopen dat dit erfgoed uiteindelijk in trusted hands terechtkomt. (Recensie verschijnt in Volkskunde, 118/2)
This book does an excellent job explaining a developing field of international law in a way both experts and novices can take value from. While the book is obviously academic in nature, Jos also proposes a practical strategy for stakeholders to reference when raising claims in the future which is a valuable resource. It is a must-read for practitioners dealing with international art as well as anyone with an interest in the present and historical importance of colonial artifacts,