Marnix Gijsen was de schrijversnaam van Joannes Alphonsius Albertus Goris, een Vlaams schrijver. Zijn pseudoniem komt van Marnix van Sint Aldegonde en de naam van zijn moeder, Gijsen.
In 1926 ontving hij de August Beernaertprijs voor Het huis.
Marnix Gijsen was the pen name of Joannes Alphonsius Albertus Goris, a Flemish writer. His pseudonym relates to Marnix van Sint Aldegonde and the surname of his mother (Gijsen).
Zelden kreeg een roman een betere titel als “De kroeg van groot verdriet”. Eigenlijk is daarmee alles gezegd. Voor wie veronderstelt dat het een aaneenschakeling is van dronken zelfbeklag, kan ik zeggen dat Marnix Gijsen genoeg diversiteit in zijn (wellicht autobiografisch) verhaal steekt om door te blijven gaan met lezen. Tegelijk slaat hij naar het einde toe de nagel op de kop wat de Amerikaanse beschaving betreft, waardoor de trilogie mooi wordt afgerond: “Terwijl in Europa de vrouwelijke en mannelijke geslachtsdelen meer en meer openlijk in de conversatie vermeld werden, meestal als scheldwoord, zou een Amerikaan een dergelijke gewoonte met puriteinse verontwaardiging hebben afgekeurd, evenzeer als hij het gebruik van scatologische termen niet zou kunnen harden, maar heel zijn beschaving, zijn literatuur, zijn pers, zijn films en TV zijn doordrenkt van seksualiteit en van de meest loodzware, de primairste, de vulgairste. De borsten van een vrouw moesten er als uiers uitzien, en een zangeres met een stemmetje van niets was plots beroemd geworden omdat ze een paar centimeters meer van haar boezem toonde dan haar concurrente.” (p.460-461)
De kroeg van groot verdriet neemt je mee in de tijd, naar een naoorlogs New York. De stamgasten staan stil in de tijd, waarschijnlijk net zoals het interieur van deze kroeg. Iedere gast heen zijn of haar verleden met bijbehorende verhalen. Die krijgt de lezer te horen via de melancholieke hoofdpersoon die goed is in luisteren en daardoor alle vaste gasten kent. Maar wat brengt de hoofdpersoon naar deze kroeg? Wat bindt de stamgasten?
Marnix Gijsen weet de sfeer in het boek terug te brengen naar je favoriete bruine kroeg. Daar waar je vroeger niet veel van het interieur zag, want het stond er toen nog blank van de rook. Een schemerig New York. Hij geeft niet alleen de stamgasten een vaste plek aan de toog, maar ook een eigen plek in het verhaal. Daar waar deze personen elkaar vinden in de tragiek van het verleden of juist waar ze elkaar wijzen op hoe je dit verleden op je eigen manier bij je draagt.
De moeite om te lezen. Gijsen vertelt sappig, als een monkelende oom die veel meegemaakt heeft en anekdotes uit zijn mouw schudt. Soms zijn die prangend en wijs. Soms zijn die oppervlakkig en illustreren enkel de frustraties van de nonkel. Dat onregelmatige van Gijsen speelt hem parten, de mix van scherpe en botte observaties. Als een losse collectie cursiefjes. Daarnaast valt op hoe vaak hij zich in zijn Amerikaanse boeken herhaalt, hoe de stokpaardjes uitentreuren worden uitgemolken. Mààr… in elk boek zitten pareltjes van (zelf)spot en tragiek…
Niet mijn favoriete Gijsen, maar wel weer heel boeiend. Ik kon het hoofdpersonage niet echt uitstaan maar goed, de andere personages mochten hem ook niet, dus dat is zo zot nog niet. Collage-achtige stijl roman waarin een middelklasse witte man luistert naar onbeschrijfelijke tragedies (eg de holocaust overleven) van mede-bargangers, en dan toch besluit dat zijn eigen tragedie interessanter én tragischer is (zijn toxische ex-vriendin die hem laat zitten). Dat is een gedachtengang die mij wel fascineert.
This entire review has been hidden because of spoilers.
Een typisch "tussendoor" boek. Onderhoudende, beetje ironische, beschrijving van een groep cafebezoekers die hun levens verhalen delen en weg drinken. De hoofdpersoon spaart zich zelf ook niet. Toch was de schrijver, een positieve verrassing.