Dit negenentwintig jaar oude cultuur-theologische boek gaat in op de zorgen over het milieu. De zorgen zijn inmiddels groter geworden, maar daarom is de genuanceerde middenpositie van De Knijff – tegen het doemdenken in (hfst 1) – een belangrijke stem in de zogenaamde ‘groene theologie’. Het centraal stellen van moeder Natuur (ecocentrisme) in veel hedendaagse reflecties op de klimaatcrisis en de negatieve rol van het christendom in het ontstaan van deze problematiek werkt namelijk antihumanisme in de hand en zorgt voor een niet-realistisch verlangen naar een harmonische natuurstaat. Het heil verwachten van de techniek is uiteraard een andere extreme positie en evenmin realistisch (hfst 2). ‘Het grondprobleem van de mens en daarmee van de mensheid is, dat wij als persoon, ieder voor zich, weigeren naar God te luisteren’. (75) ‘Bekeert u en gelooft het evangelie’ (Mk. 1:15)’ onderstreept dat de Schrift impliciet een belangrijke stem heeft in de milieuproblematiek. (77) De mens is echter een paradoxaal wezen. Hij is natuur (gemaakt uit ‘stof’), maar ook een excentrisch wezen. In tegenstelling tot een dier kan de mens de natuur – inclusief zijn stoffelijke lichaam – objectiveren. De auteur wil, ondanks postmoderne kritiek op het subject-object-denken (gebaseerd op inzichten uit o.a. de deeltjesfysica), vasthouden aan het tweewereldenschema. De techniek is bij De Knijff het middel in de omgang van de mens met de natuur: zij staat midden tussen de mens en de natuur en bemiddelt als zodanig tussen deze beide. Terugkeer naar een methode van landbouw, die uitgaat van de natuurlijke kringlopen en het natuurlijke biologische tempo zou dodelijk zijn voor miljoenen stedelingen. We hebben aan techniek ons bestaan te danken (180). Het probleem is echter dat dezelfde techniek onze kwaliteit van leven bedreigt omdat het ons boven het hoofd groeit. ‘We moeten de techniek de baas worden, opdat wij haar vrij kunnen onderwerpen aan onze menselijke doelstellingen’ (200-1) De mens moet het middel de baas blijven. De oorzaak van de milieuproblematiek zit diep in de mens: ‘een conflict tussen excentriciteit en deelneming, overstijging van en gebondenheid aan de natuur helemaal binnen hemzelf’. (149) Hoe werkt dat ‘de baas blijven’ precies? De Knijff biedt geen concrete oplossingen (200) maar benadrukt wel dat er ethisch gezien (hfst 6) een wisselwerking is tussen enerzijds bevestiging (‘wonen’; Kanaän) en anderzijds vervreemding (‘woestijn’; Exodus). We mogen wonen en genieten van onze aarde, maar wel in het besef dat de Westerse mens niet de enige mens is. ‘Zonder de ethiek der vreemdelingschap is de vraag naar een rechtvaardige verdeling van de aardse goederen niet op te lossen.’ (191) Het milieuprobleem is zeker ook een ongelijkheidsprobleem.