De Nederlandse documentaire geniet al geruime tijd wereldfaam. Dankzij de draagbare camera en de lichtgevoelige film konden documentairemakers zich vanaf de jaren zestig letterlijk vrijer bewegen om de ontwikkelingen in de maatschappij vast te leggen. Of dit nu in het ‘magies sentrum’ Amsterdam was of in het door een burgeroorlog geteisterde Afrikaanse land Biafra. Gaandeweg was niet meer de bioscoop, maar de televisie het platform voor financiering en vertoning van documentaires. Eind jaren tachtig stond de Nederlandse documentaire niet erg in aanzien. De start van het succesvolle filmfestival IDFA in 1988 en de oprichting van het Stimuleringsfonds boden de mogelijkheid om de rijke traditie nieuw leven in te blazen.