Is het mogelijk om samen te vallen met jezelf als je jezelf voortdurend vanuit verschillende perspectieven bekijkt? Wie heeft deze perspectieven bepaald? Is het mogelijk ervan los te komen?
Tegen een achtergrond van dagelijkse beslommeringen zoals grasmaaien om slakken heen, rijden door de mist, vanuit de tram een glimp opvangen van flamingo’s, tasten de gedichten in Tussen mij af hoe het lichaam en het (onder)bewustzijn zich tot elkaar verhouden.
Een onderlaag in de bundel wordt gevormd door de cyclus 'een leven in zeven paniekaanvallen'. Barnas vraagt zich af waar een paniekaanval uit bestaat. Zou het een instorting kunnen zijn van ons begrip van tijd? Zou het kunnen worden beschouwd als het ontsporen van het plot van het dagelijks leven? Kunnen we iets leren van deze momenten van crisis?
Kunnen het aanwezige en het afwezige ooit samenvallen?
Maria Barnas (1973) is dichter, schrijver en beeldend kunstenaar. Zowel in haar geschreven als in haar beeldend werk onderzoekt ze hoe beschrijvingen de werkelijkheid vormen en vervormen. Barnas studeerde aan de Rietveld Academie en de Rijksakademie te Amsterdam. Ze publiceerde twee romans. Haar poëziedebuut Twee zonnen (2003) werd bekroond met de C. Buddingh’-prijs, en in 2009 ontving zij de J.C. Bloemprijs voor Er staat een stad op (2007). In 2005 verscheen Binnenzee, een wandeling in dichtvorm. In 2013 is haar derde poëziebundel Jaja de oerknal verschenen. Ze was van 2007 tot 2010 columnist voor het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad. Deze columns zijn gebundeld in Fantastisch (2010). Ze schrijft in diverse kranten en tijdschriften essays over kunst en literatuur. (source: De Arbeiderspers)