'Onweerstaanbaar aangeraakt' van theoloog Gerrit Immink is een zoektocht naar het geheim van een levensecht geloof. Het is vandaag niet eenvoudig om in God te geloven. In de gure wind van de seculiere cultuur zijn we de voeling met God kwijtgeraakt. Hoe komen we dan toch in contact met God? Wat is het geheim van een levensecht geloof? Dit boek laat zien dat het godsdienstige leven doordrenkt is van de mystieke waarneming van God. Innerlijke betrokkenheid en de mystieke presentie van God gaan daarbij hand in hand. Dat maakt het geloof existentieel. En dat maakt een christen in deze postchristelijke tijd tot een excentrieke persoonlijkheid.
Gerrit Immink is een theoloog die zich in eerste instantie bekwaamde in de systematische theologie en wijsbegeerte, maar later de overstap maakte naar de praktische theologie. Was hij eerst systematisch-theologisch en filosofisch bezig met wie en hoe God is, na zijn overstap naar de praktische theologie ging hij zich bezig houden met de mens die in God gelooft en de vormen, gestalten en praktijken van die gelovige mens.
De overstap hield niet in dat hij afscheid genomen had van zijn eerdere fase. Immink probeerde in zijn praktische theologie de inzichten die hij in zijn systematisch-theologische en godsdienstfilosofische periode had opgedaan, ten volle te verwerken in zijn praktisch-theologisch bezig zijn. Dat betekende dat Immink niet alleen bezig was met de menselijke kant van geloven, die te bestuderen is met sociale wetenschappen. Dat betekende steeds ook dat Immink de theologie inbracht en nadacht over wat het betekent om naast de menselijke kant van het geloven ook bezig te zijn met de werkzaamheid van God.
Immink bleef daarbij benadrukken dat God een werkelijk bestaand Persoon buiten ons is: de Ander, een tegenover. God raakt ons in ons innerlijk, maar Hij bestaat ook buiten ons innerlijk en buiten onze ervaring. God is de Ander die we ontmoeten en die de Ander blijft. Geloven gebeurt in het besef van Gods tegenwoordigheid. Het gereformeerde principe dat er een wezenlijk onderscheid is tussen God als schepper en de mens als schepsel is voor Immink steeds een wezenlijk uitgangspunt gebleven.
Vanaf zijn plek in de praktische theologie ging Immink zich bezig houden met geloof zoals dat in mensen gestalte kreeg en in praktijken van mensen. Als theologiestudent in Utrecht heb ik destijds, omdat ik een groot bijvak praktische theologie deed, een aantal colleges bij hem gevolgd. Het ging bij Immink om het wat genoemd werd: het geleefde geloof. (Ik weet nog hoe we Henning Luther, Albrecht Grözinger en Wilhelm Gräb moesten lezen. Ik heb er veel van geleerd en heb me sindsdien altijd meer thuisgevoeld in de praktische theologie dan in de dogmatiek.) Met geleefd geloof werd bedoeld hoe het geloof in de praktijk van het alledaagse leven gestalte kreeg. Als praktisch-theoloog kun je dat geleefde geloof en de vormen en de gestalten die het kreeg bestuderen. Over de bestudering van het geleefde geloof en de bestudering van die geloofspraktijken schreef Immink meerdere boeken over die geloofspraktijken: In God geloven (over de praktijk van geloven), Over God gesproken (over de preek), Het heilige gebeurt (over de eredienst), Bidden in het besef Gods tegenwoordigheid (over bidden).
Nu heeft Immink opnieuw een boek geschreven over de praktijk van geloven: Onweerstaanbaar aangeraakt. Het boek is geschreven vanuit een bepaalde zorg: de zorg dat in een seculiere tijd het levensechte geloven verdwijnt. De valkuil in een seculiere tijd is dat God alleen een innerlijke ervaring wordt en dat het besef verdwijnt dat God een tegenover is en dat geloven en leven in het besef van Gods tegenwoordigheid gebeurt. Het besef dat God ook in onze tijd handelt en spreekt buiten ons mensen om staat onder druk. Immink komt met een boek over het goed recht van de innerlijke kant van geloven.
Dat Immink het goed recht van die innerlijke kant benadrukt heeft ermee te maken dat toen het besef van een seculiere tijd goed begon door te dringen door de dialectische theologie de innerlijke kant van het geloven verdacht gemaakt werd. Alle accent kwam te liggen op God als de ander. In die tijd begon Immink met zijn theologiestudie. Hij kon niet goed uit de voeten met de dialectische theologie en ging zich richten op de godsdienstwijsbegeerte. Toen hij in de praktische theologie terecht kwam, kwam Immink ook weer uit bij twee stromingen die hem van huis uit gevormd hebben: de traditie van de Nadere Reformatie en de ethische theologie. Deze stromingen hebben altijd oog gehad voor de innerlijke kant van geloven. Zowel de Nadere Reformatie als de ethische theologie hebben ook voor de mystieke kant van geloven: de ontmoeting met God brengt in het innerlijk van alles aan emoties en gevoelens teweeg, van berouw tot vreugde.
De nadruk op de innerlijke kant had ook een schaduwzijde: wat er buiten de mens zich afspeelt, kan uit het oog verloren worden. Er is voor de gelovige ook een leven buiten het innerlijk. Na het het eerste hoofdstuk over het goed recht van de innerlijke kant van geloven komt Immink in hoofdstuk 2 te spreken over het leven voor Gods aangezicht. Geloven heeft niet alleen een innerlijke kant. De hele mens doet mee: zijn levensgeschiedenis en zijn plek op de aarde. Niet alleen in het innerlijk is er het besef van Gods tegenwoordigheid, maar het hele leven speelt zich af voor Gods aangezicht.
Zo voorkomt Immink dat geloven opgaat in een innerlijk beleven en kan hij ook theologisch ruimte bieden voor de praktijken van geloven: de menselijke levensweg, de geloofsgemeenschap, de rituelen en de handelingen waarin het geloof beoefend wordt. Dogmatisch werkt Immink die ruimte uit door te benadrukken dat het bij het geloven niet alleen gaat om het werk van de Verlosser en om het krijgen van verzoening en genade, maar dat ook de schepping als werk van God volop ruimte moet krijgen. De schaduwzijde van de nadruk op de mystieke kant van geloven ziet Immink ook bij de theologen van de Nadere Reformatie en de ethische theologie: hij vraagt zich af of zij het geloof niet teveel verinnerlijken en het geloven beperken tot een innerlijke ontmoeting met God. Er is toch ook een geschiedenis van God in deze wereld? Christus komt niet alleen in ons innerlijk, maar kwam ook lichamelijk op aarde in een concrete tijd. Zeker in tijd waarin Gods aanwezigheid steeds meer naar het innerlijk verplaatst wordt (omdat de wereld steeds seculierder wordt) ziet Immink dit als een valkuil.
Eerlijk gezegd vind ik dit een merkwaardige constatering. Het is net of Immink hier zijn praktisch-theologische bril afdoet en alleen als systematisch-theologisch geschoolde theoloog naar deze stromingen kijkt. Had Immink juist hier niet oog voor de contemplatie moeten hebben, die een andere gestalte van theologiebeoefening is dan het theologische handboek? Of dit een terechte zorg is, kun je niet alleen aan de theologische ontwerpen in geschreven boeken zien, maar zul je in de praktijk van geloven moeten constateren. Of de zorg dat het werk van Christus vandaag de dag teveel verinnerlijkt wordt, betwijfel ik. Naast de ethische theologie kwam ook het neocalvinistisme van Kuyper en Bavinck cs op, waarbij Christus’ aanwezigheid in de heilsgeschiedenis voortdurend benadrukt werd. De ethische theologie en de erfgenamen van de Nadere Reformatie moesten zich verhouden tot die nadruk op de heilsgeschiedenis. Het zou ook kunnen zijn dat, vanwege de nadruk op de heilsgeschiedenis én de uitwerking van het neocalvinisme in politieke en maatschappelijke organisaties, de ethische theologen bleven benadrukken dat de mens ook een innerlijke kant heeft en dat het ook van belang is hoe je als mens christen bent. (Al heeft het neocalvinisme ook steeds deze innerlijke kant benadrukt.)
Geloven heeft een innerlijke kant. Die innerlijke kant moet steeds beoefend worden. Die beoefening heeft niet alleen tot doel dat het besef levend blijft dat heel het leven voor Gods aangezicht gebeurt en dat God de Ander blijft. Die beoefening heeft ook tot doel dat de gelovige de positieve impact van het geloven blijft ondervinden. Geloven kent niet alleen een schuld belijden en boetedoen, maar kent ook een basaal Godsvertrouwen. Geloven kent niet alleen ernst en eenvoud, maar kent ook een diepe vreugde. Als God je in je innerlijk ontmoet, word je niet alleen beschroomd en stil maar voel je je ook gedragen. Lijden en aanvechting zijn er zeker, maar worden opgenomen in een besef van Gods aanwezigheid. Dat leidt niet tot een berusting maar tot een vreugde om wie God is. Het is een vreugde die voortvloeit uit de gemeenschap met Christus. Deze vreugde leidt ook tot een vreugdevolle praktijk van het leven, waarbij het hele leven geleefd mag worden vanuit deze vreugde.
In dit boek onderzoekt I. hoe mensen in onze moderne, geseculariseerde tijd nog ‘levensecht’ kunnen geloven. De titel verwijst naar het werk van de Heilige Geest. Geloof is een mysterie waarbij God de mens van buitenaf ‘onweerstaanbaar aanraakt’ in het diepst van zijn innerlijk. En de focus ligt op de persoonlijke omgang met God en het belang van het innerlijk, zonder dat het geloof slechts een individuele emotie wordt. I. verbindt de objectieve waarheid van de Bijbel (openbaring en geschiedenis) met de subjectieve, innerlijke ervaring van de gelovige. Het is bedoeld als bemoediging en herbronning voor wie in een tijd waarin oude zekerheden wegvallen, toch vasthoudt aan een doorleefd, gereformeerd geloof. Voor mij waren voornamelijk de stemmen uit het kerkelijke midden (ethisch-gereformeerd; hfst. 5) nieuw. Ik kan me wel vinden in het pleidooi voor een geloof dat diep verankerd is in de Schrift, maar dat pas echt tot leven komt door de persoonlijke, mystieke aanraking van de Geest. Tegelijkertijd trekt dit boek de trits: mystiek, diaconaat, rede wat scheef naar de eerste pool. In het emancipatieproces zijn de gezondheidszorg en de universiteiten hun mystieke wortels grotendeels uit het oog verloren. Tegelijkertijd heeft deze vorm van ‘levenecht’ geloven ook iets levensvreemds door zo op het innerlijk gericht te zijn. Hfst. 6 leek af en toe wat op afstand te staan omdat geloofsgestalten als ‘kennen en vertrouwen’ en ‘ernst en vreugde’ in een eigen taalveld en wereld verkeren. Dit is een kwestie van het combineren van dit boek met meer ‘activistische’ (bijv. ‘ecologische’) en ‘nuchtere’ (bijv. anglicaanse systematische) theologie.
Ook opmerkelijk is dat de seculiere gesprekspartners een klein beetje gedateerd aanvoelen. Via Charles Taylor en Dick Swaab kan weliswaar het argument van onttovering gemaakt worden. Zoals I. ook doet op p. 41: “we lijden ondertussen wel aan de wijdverbreide gedachte dat de wereld waarvan wij deel uitmaken een gesloten, immanent en natuurwetmatig systeem is.” Mijn indruk – op basis van onderzoeksresultaten naar de opvattingen van Gen Z én gesprekken met (jongere) natuurwetenschappers die o.a. werken aan quantum computing en large language models – is dat deze geslotenheid vooral speelt bij een bepaalde generatie met de nodige rancune richting een dogmatisch-dichtgetimmerd gereformeerde achtergrond. Het ene gesloten systeem voor het andere gesloten systeem. De natuurkundige hypothese dat niet materie en energie primair zijn in het heelal, maar informatie, komt de laatste jaren sterk naar voren – evenals neoplatonische, archetypische, ideële wiskundemodellen voor het ‘Al’. Het front is daarmee minder met Nietzsche en hard materialisme en meer met alternatieve verklaringsmodellen voor bewustzijn, humaniteit en spiritualiteit.