Na een bladzij of twintig, misschien dertig, verliest de lezer van “Een moderne Antonius” de vaste grond van de realiteit onder z’n voeten. Waar duiveltjes en engeltjes hem om de oren beginnen te vliegen geraakt hij in het drijfzand van de verbeelding, van hallucinaties, visioenen, het occulte. Vreselijk, wat mij betreft is het een modderschuit die in dat drijfzand is blijven steken en wegzakt, waarop dan nog wel een vlag prijkt die het aanzien waard is: de uitgave van deze roman als appetijtelijke Salamander-pocket.
Ik had het kunnen weten, want in “De toetssteen; Brieven over Vestdijk” laat Maarten ’t Hart al aan zijn naam- en leeftijdgenoot Kees ’t Hart weten wat hij ervan vond: dat hij geen touw had kunnen vastknopen aan “Een moderne Antonius” (p. 39). Wat jammer toch dat bij hun in “De toetssteen” gebundelde correspondentie over het werk van Vestdijk geen register is opgenomen van de om en nabij tweehonderd boeken, en dan meer in het bijzonder de romans, die hij heeft geschreven – nu was het voor mij driftig bladeren om het oordeel van een of beide ’t Harten over de 1960-versie van de Antonius-legende terug te vinden.