Op 22 mei 1969 begint de tweeëntwintigjarige Henk Winters in zijn kamer in Baarn een dagboek. Tegen de achtergrond van de revolutionaire sixties rookt hij stickies met zijn vrienden, bezoekt hij iconische poptempels, koopt hij af en toe een lp, baalt hij van zijn werk en zijn collega’s, en is hij toch vooral altijd met een half oog op zoek naar leuke jongens. En ja, denkt hij, misschien moet hij toch wat meer van zijn heterovrienden over zijn homoseksualiteit vertellen.
Het dagboek van Henk Winters, die in zijn latere leven onder andere actief zou zijn als jongerenwerker, vrijwilliger bij buurthuizen en op scholen en als bekende homo-activist, is ongekend oprecht, intiem en levendig, en geeft een intrigerend en waarheidsgetrouw beeld van een tumultueuze periode in de ontwikkeling van de Nederlandse samenleving.
Uniek inkijkje in het leven van een 23-jarige jongeman. Geboren in Steenwijkerwold en in 1969 wonend en werkend in Baarn. In eerste instantie vast niet bedoeld voor meelezers. Het is dan ook niet literair maar na lezing heb je toch een goed beeld gekregen van 1969 in Nederland. Bezetting maagdenhuis, studenten protesten. Damslapers. De maanlanding. Een concert van Pink Floyd in Paradiso (dat helaas niet doorging). Er wordt veel stuff (term uit die tijd) gerookt. Lange haren. Henk is homofiel (de term die toen werd gebruikt) en altijd op zoek naar leuke jongens. En hij is links:
124 Die onlustgevoelens worden dan nog weer versterkt door het lezen van de Telegraaf, want dat is de spreekbuis voor de mensen die alle vernieuwingen afweren en zo veel mogelijk proberen tegen te houden. En dat met domme argumenten, waaruit steeds maar weer duidelijk blijkt dat ze er geen één donder van snappen.
Fascinerend dagboek uit 1969 van een eigenzinnige en verlegen rebel van tweeëntwintig. Wat mij vooral trof is dat Henk Winters zich in twee voor hem strikt gescheiden kringen beweegt: die van het langharig werkschuw tuig en die van de homo’s. Zo weten de meeste vrienden die op zijn kamer bij hem komen hangen niet dat hij homo is. Henk wil het liefst een vriend die net zo in het leven staat als hij en net zo van stuff roken houdt. Hij denkt heel erg de dingen die zijn vooruitstrevende generatiegenoten ook denken en vinden, zoals bijvoorbeeld: ‘Het wordt nu godverdomme wel tijd om de bestaande prestatie- en consumptiecultuur omver te werpen.’ (p. 41) En aan werken heeft hij ook een broertje dood. Dat maakt het dagboek ook als tijdsbeeld lollig. Henk is duidelijk een exponent van de dominante jongerencultuur van eind jaren zestig. Een gelijkgestemde liefdesvriend wordt in de periode die dit boek beslaat niet gevonden, maar we hoeven geen medelijden met Henk te hebben. Hij schrijft openhartig over zijn seksuele belevenissen en maakt genoeg mee. Die passages – naast ander jonge-mensen-geworstel – nemen je enorm voor hem in. Bovendien maakt hij in de zomer van 1969 een belangrijke ontwikkeling door. Hij durft meer en meer zichzelf te zijn en komt bij steeds meer vrienden uit de kast. Zo heft hij de strikte scheiding in zijn sociale leven langzaam op en het is prachtig dat hij dat heeft vastgelegd.