Rune en Addae wonen mijlenver bij elkaar vandaan. Hun huizen zijn verbonden door een lange draad. Aan elk uiteinde van die draad zit een blikje. Daarmee praten ze iedere dag met elkaar. Zo voelen ze zich nooit alleen.
Op een dag krijgt Rune geen antwoord. De stilte is ondraaglijk, want zonder Addae voelt ze zich verloren. Dus gaat Rune op zoek…
Een klein verhaal over vriendschap en verbondenheid.
‘Boven op een berg staat een huis. Het is het enige huis in de wijde omtrek en zelden komt er iemand langs.’
Het meisje Rune woont in dit huis op de berg. In het sobere huis staat een houtkachel en een bed, ze heeft verder nauwelijks iets nodig. Soms komt er iemand langs en dat vindt ze genoeg. Het belangrijkste voor haar is de provisorische verbinding van wol en blik met Addae. De jongen Addae woont aan de andere kant van de wereld. Ze praten samen, een grapje bij het wakker worden, een verhaal bij het slapengaan. Een vertrouwde stem, het contact met de ander. Voor Rune is Addaes stem als een lied. Op een dag is Addae er niet aan de andere kant van de lijn. Wat is er misgegaan? Is er iets met hem, is er iets met de lijn?