Beet Wienen heeft een duidelijk verhaal over het onderwijs. Voor mij als toezichthouder op een VO scholengemeenschap kostte het wat tijd om te wennen aan de manier van uitdrukken. Gelukkig herhaalt Bert zichzelf geregeld in het boek zodat het me steeds duidelijker werd. Hij is wel wat zwart/wit vind ik maar dat helpt wel om zijn punt duidelijker te maken.
De kern van zijn betoog is dat in de huidige wereld er naar een kind gekeken wordt vanuit wat als normaal gezien wordt. Dit betekent goed presteren, er goed uitzien, meetellen. Dit legt een flinke prestatiedruk op leerlingen met nadruk op perfectie. In het onderwijs worden kinderen gepsychologiseerd en moeten ze reflecteren op zichzelf waarbij ze in psychologische taal over zichzelf leren denken. Dit leidt naar psychisch etiketten (ADHD, autisme, dyslexie, hoogbegaafdheid, hooggevoelighei, etc) waarna therapie nodig is. Het gevolg is dat er geen weerstand aan het kind geboden wordt maar dat er allerlei programma’s rondom dit soort etiketten gebouwd worden ervan uitgaande dat kinderen zich neerleggen bij de etiketten of zich als slachtoffers gaan gedragen. Wiener noemt dit het medisch individueel model van inclusief onderwijs (model van Miles) . Het kind staat hierin centraal en het gaat erom wat hij/zij nodig heeft om mee te kunnen doen. Hij stelt dat als kinderen niet aan het gemiddelde voldoen dat ze dan niet kunnen leren.
Hij stelt hiertegenover het sociale model (ook van Miles) waar niet het kind maar de pedagogisch didactische context centraal staat. We zullen deze context zo aan moeten passen dat het kind toch kan leren (metafoor van de bril). Afwijkingen van de norm dienen voorzien te worden van een pedagogisch en didactisch antwoord. Essentieel hierbij is dat er weerstand geboden wordt in de zin van hoge verwachtingen, leerkansen en regels. Leerlingen mogen fouten maken in zo’n omgeving en perfectie is zeker niet de norm.
Een voorbeeld bij een pilot waar een aantal leerlingen met angst en de;ressiviteitsklachten waren. De hypothese van ‘het zit in jou, jij bent ziek,depressief’, werd verlaten in plaats daarvan werd de hypothese ‘sommige kinderen hebben een gebrek aan contact, hoe veranderen we de context zodat er meer contactmogelijkheden ontstaan?’ Met deze interventie werd een flinke reductie bereikt van het doorverwijzen naar jeugdhulp. Een jeugdarts was wel betrokken om te voorkomen dat iets gemist werd.
Deze manier van denken kan zeker helpen om de instroom bij de hulpverlening fors te verlagen en kinderen weerbaar te maken.