Subtiele korte roman in een Vlaams dat neigt naar poëzie.
Aantekeningen voor mezelf gemaakt. Eén grote spoiler.
Een groep vrienden, wandelaars, is bijeen voor een jaarlijkse borrel met hapjes. De mensen keuvelen erop los, het gaat echt overal over maar nergens echt over. Een paar keer komt klokgelui langs. De eerste keer omdat iemand meent dat je aan het soort klokgelui moet kunnen horen of een vrouw of man is overleden vanwege het aan- of afwezig zijn van een tweede klok die mee-belt. De tweede keer als iemand meent dat klokgelui ook de geboorte van iemand van de koninklijke familie kan betekenen, of van een koninklijk huwelijk. Het klokgelui kan ook een beeldspraak zijn voor het heen-en-weer kabbelen van de alledaagse oppervlakkige conversaties die Pleysier beschrijft: dan weer hier over, dan weer daar over, en nergens écht over, alleen maar oppervlakkige prietpraat van mensen die schijnbaar erg tevreden zijn met zichzelf zonder écht naar de ander te luisteren of zonder de ander écht te bereiken. Zo draaien we om elkaar heen en blijven we op veilige afstand, waarbij de vraag is of dat allemaal nou eigenlijk wel echt zo veilig is…
Echtpaar
In de buurt van een aantal van de gezapige keuvelaars woont een ouder echtpaar, Jef en Germaine, dat de rolluiken nooit meer helemaal opendoet en bij wie de brievenbus uitpuilt van reclames. Blijkt dat één van de wandelaars er meer van weet omdat ze elke week boodschappen doet voor het echtpaar. Dan ziet ze alleen Jef aan de deur, ze komt zelf vrijwel nooit binnen. Jef vertelt dat Germaine de kluts aan het kwijtraken is en dat hij haar niet alleen durft te laten. De vertelster vindt Jef ook wel een vreemde snuiter omdat hij vindt dat elk huis als een magazijn ingericht moet zijn: alles op een vaste en logische plek zodat je altijd weet wat waar te vinden. “Want het is de wanorde, zei hij, het is de wanorde in uw huis die de wanorde in uw hoofd alleen maar verergert.”
Drama
Als lezer vermoed je lange tijd een drama onder het direct zichtbare (leesbare) drama van waarschijnlijk progressieve dementie bij de vrouw. Is het Jef die eigenlijk een beetje vreemd is, daar lijkt het toch niet op. Dan geeft Pleysier hints naar een doodgeboren of vroeg overleden kind. Germaine heeft hallucinaties over een koe die moet aanzien dat een pasgeboren kalf het niet redt. Jefs vogeltjes in de volière hebben teveel legsel dat niet is bevrucht. De verteller observeert hoe uiteindelijk Germaine met een ambulance wordt opgehaald, onder lokale publieke belangstelling op straat. De verteller vertelt dat zij de meeste aanwezigen uit de straat van gezicht kent maar verder niet, niet eens bij naam. “En moeite om ze als buren wat nader te leren kennen had ik dan ook nooit gedaan. Maar nu geneerde ik me daar toch een beetje voor.” Dit lijkt me één van de thema’s van dit boek: kennen we elkaar en helpen we elkaar? Nee dus.
Tussen het stof
Tussen het oppervlakkige geklets van de vriendengroep door lezen we als een fait divers dat het huis van waarschijnlijk (Pleysier suggereert het, maar benoemt het niet) Jef en Germaine te koop staat. De vrouw is in een tehuis gestorven en nog geen week later vonden ze de man thuis dood in zijn bed liggen. Bim-bam, dit verhaal is als de doodsklokken voor hen, terwijl het voor anderen niet meer is dan een flinterdun wetenswaardigheidje voor tijdens de Spaanse tapas en cava. Het boek eindigt met: “En dan lijkt het wel alsof de woestijnwind die stofwolken deze kant op heeft geblazen om ons eraan te herinneren dat we zelf ook stof zijn, zegt Alma van Dijk. En dat we tot stof zullen wederkeren, zegt Brigitte Vermeer. Amen, zegt Frank Blockx.” Van stof tot stof, maar wat doen we in de tussentijd - dat lijkt de vraag die Pleyzier ons met dit boek stelt.
Stijl
Dit boek gaat minstens evenveel over stijl als over inhoud. Pleyzier schrijft een gesproken Vlaams op een wijze dat het neigt naar poëzie. Ik heb nog niet een boek gelezen waarin zo mooi geschreven zo weinig in gebeurt. Eén construct komt zo vaak voor dat ik het wil onthouden. Het verhaal wordt verteld door vrienden die bij elkaar komen. Een vrouw vertelt op een alledaagse manier waarop mensen over anderen praten. Een groot deel wat zij weet, heeft ze van de man Jef gehoord. Indirect dus. En dan krijg je ‘zei hij, zei ik’-achtige constructies: “(…) dat ze toen zo graag in onze woonkamer tegen de muur had zien hangen, zei Jef tegen mij, zegt Ludwina.” , of: “Maar al na een uur of zo zei Germaine, zegt Jef, (…).” “Dat was Germaine vannacht weer, zei Jef, zegt Ludwina.” Verder veel Vlaamse zinswendingen en zegswijzen om van te genieten: ‘van zijn melk zijn’ (van de kaart zijn), ‘van haar noch pluim kennen’ (niet kennen), ‘dedju toch’ (verdorie), ‘er het hart van in zijn’ (in de put zitten?).