Dit is een verhaal “over het meisje in een grote-mensen-lichaam in een grote-mensen-wereld dat niemand nodig heeft.” Over een meisje dat als kind is verwaarloosd en mishandeld.
Aantekeningen voor mezelf gemaakt. Eén grote spoiler.
Op zesjarige leeftijd woont hoofdpersoon bij haar alleenstaande moeder en jongere zus en broer. Haar moeder mishandelt haar fysiek en psychisch, het laatste door na het uitdelen van klappen niet haar dochter te troosten maar zichzelf te laten troosten door haar dochter. Hoofdpersoon is opgegroeid in een onveilig gezin. Iedereen die dit heeft meegemaakt zal herkennen dat het alledaagse niet meer alledaags is maar angst inboezemt. De associaties verschillen per individu en hun trauma, maar wat voor anderen alledaags en gewoon is, is dat voor mensen met een trauma niet. En welke uitdagingen dit oplevert voor samenleven met anderen, voor een eigen gezin: schrikken als iemand een kamer binnenkomt, of je aanraakt…
Kopieermachine
De tekst is een brief van hoofdpersoon aan een vriendin uit haar kindertijd. Ze woont inmiddels alleen, op zichzelf. “Want ik woon alleen nu, ik ben ontsnapt. Ik ben ontsnapt zoals je aan een koolmonoxidevergiftiging ontsnapt, met je hart dat ongecontroleerd in je keel bonkt, en een benepen gevoel van te weinig zuurstof in je hoofd.” Zo heeft ze moeite met contacten en relaties: “Moeten vragen zorgt voor een implosie in mijn lijf, Marie. Iets vragen betekent alle zenuwen en spieren in je lijf opspannen, en al je moed bijeenrapen.” “Alles is altijd mijn schuld. Ik kan niets. Ik ben niemand. Ik ben een stukje vuil in een verder ordelijke wereld.” Dramatisch, ja; maar misschien voelt iemand met een trauma zich zo. “Ik ben een kopieermachine, en probeer zo stil mogelijk te doen wat andere mensen doen.”
Populair
Als kind merkte hoofdpersoon dat ze aandacht van andere kinderen kreeg als ze de striemen op haar rug van slaag liet zien: “(…) alleszins genoot ik en had een heimelijke trots dat ik voor heel even het populairste meisje op de speelplaats was, want de populairste meisjes waren meestal de meisjes met de blondste haren.” Hoofdpersoon is gekleurd en heeft zwart kroeshaar.
Sterk
“Ze hebben me sterk gemaakt die plekken, te sterk. Want wat sterk is breekt, wat zacht is beweegt mee.” “De impact van grote mensenlevens op kleine mensenlevens is verpulverend.” Hoofdpersoon beschrijft hoe zij “het meisje achter glas” is geworden, “achter de hoge muur, die observeert maar nooit meedoet, die niet kan ontsnappen uit haar toren behalve wanneer ze leest, naar mooie beelden kijkt, zingt, of in haar dagboek schrijft.”
Loyaliteit
De passage waarin hoofdpersoon schrijft dat ze haar nieuwe liefde kennis wil laten maken met haar moeder, vind ik schrijnend. Ze beschrijft hoe ze ondanks het misbruik het goede van haar moeder blijft zien en eindigt met dat ze van haar mama houdt: “Mama. Mijn lieve mama.” We weten dan op welke wijze die mama haar heeft verwaarloosd en moedwillig heeft gemaltraiteerd. Hoezo ‘lieve mama’, denk je dan. Dit is het zieke van misbruik binnen een gezin, dat het kind ondanks alles loyaliteit voelt jegens de agressor.
“Ik heb hem verteld dat ik wil wonen omgeven door natuur, niet te ver van de stad en culturele activiteiten, met gezamenlijke vrienden en familie in de buurt, deel zijn van een warm netwerk, dat niet verstikkend is. Nabijheid ervaren, die veraf genoeg is.”
“Een ongecompliceerde, liefdevolle aanraking is al wat ik wil. Tederheid zonder touwen waarin je verstrikt kunt raken.”
“Ik heb groepen gekend, en er soms me één voet in gestaan, maar groepen doen me eenzaam voelen, dan liever echt alleen, zonder de blik van de ander.”
“Dit is wat ik weet dat er gebeurt, Marie, de mooie dingen gebeuren nooit wanneer je ze verwacht, ze verrassen je.”
“Gezinnen sluiten buiten en ze sluiten op. Dat is wat ik je wilde vertellen, Marie. En of ik er nu eindelijk ook bij mag.”
“Ik denk aan het meisje dat buiten staat, alleen, hoe ze kijkt naar de deur die op een kier staat. Ik ben tegelijk binnen en buiten. Ik weet wat ze denkt. Dat ze ook daarbinnen, in die warme gezelligheid, altijd een vreemde zal zijn. Een welkome indringer. Zij. Ik.”