Hoe kon de goede god Auschwitz toelaten? Het is een vraag die na WO II heel wat intellectuele gemoederen beroerde en velen volgden overlever Primo Levi in zijn antwoord: “Dat kon hij niet. Auschwitz bewijst dat die goede god een leugen is.” Op zich zo klaar als een klontje, maar een dergelijke atheïstische stelling heeft in een cultuur die al bijna twee millennia haar ethische fundamenten precies bij die goede god legt, natuurlijk wel enige consequenties. Wie god afzweert, geeft zich over aan ethisch relativisme, hield de kerk vast, en dan is opeens alles mogelijk, ook een nieuw Auschwitz.
In Atheïsme als basis voor de moraal toont Dirk Verhofstadt dat een dergelijke opmerking volstrekt naast de kwestie is. De Codex Hammurabi uit 1780 voor Chr. bevat bijvoorbeeld een volstrekt werelds ethisch en juridisch systeem, net als de Egyptische dodenboeken en de Cyrus Cilinder van een goede duizend jaar later. Grieken en Romeinen - beiden een polytheïsme aanhangend waarin de goden eerder uitblonken in zwijnerij dan in engeltjesgedrag - hanteerden een gelijkaardig werelds systeem en het was pas in 381, toen keizer Theodosius het Christendom tot staatsgodsdienst verhief, dat god opeens de ethische opperrechter werd. Beweren dat de mens een god nodig heeft om het verschil tussen goed en kwaad te weten is dus lichtjes overdreven.
Over de oorsprong van onze moraal is Verhofstadt kort. Hij volgt hier Frans de Waal in zijn stelling dat die bijdroeg tot het overleven van de groep. Zonder ethische regels is er een strijd van ieder tegen ieder; met de komst van de ethiek ontstaat er samenhorigheid en vertrouwen. Het is dus een zaak van evolutie. Doorslaggevend hierbij is het vermijden van onvrijwillige pijn. De Waal heeft experimenteel aangetoond dat dieren met een zekere vorm van bewustzijn in opstand komen wanneer een soortgenoot gepijnigd wordt, iets wat ook bij de mens voorkomt en wat Verhofstadt als de basisregel van onze universele ethiek beschouwt, en daarmee plaatst hij zich in een traditie die van Epicurus en Lucretius via Bentham en Mill tot bij Onfray loopt.
Mooi is hoe hij in een volgend hoofdstuk de verschillende soorten ethische systemen op de kaart zet. De Christelijke deugdenethiek moet het daarbij afleggen tegen de rationelere gevolgenethiek en de Kantiaanse plichtenethiek, maar ook deze laatsten worden als te stug en te blind voor nuances opzij geschoven. Meer sympathie lijkt hij te hebben voor de capability approach van Amartya Sen en Martha Nussbaum en voor de uitbreiding van de morele kring zoals Peter Singer en Floris van den Berg die voorstaan. En het is daar dat er iets raars gebeurt.
In de redenering dat je zachte begrippen als liefde, vrede en troost niet moet overlaten aan de religieuze ethiek en dat een rationele, atheïstische daar net zo goed mee overweg kan, schudt Verhofstadt opeens tien seculiere geboden uit zijn mouw, wat ons net zo’n artificiële zet lijkt als de invoering van het feest van de vrijzinnige jeugd als atheïstisch alternatief voor de plechtige communie. En dat niet alleen, want hoe luidt het eerste gebod? “Bovenal bemint de mens”. Toen we dat lazen, kraakte er iets. Dat een halve eeuw na het ontstaan van de deep ecology-filosofie van Arne Næss en bijna dertig jaar na het verschijnen van Jaap Kruithofs De mens aan de grens iemand zo ronduit de antropocentrische kaart trekt, verrast. Natuurlijk komen leefmilieu en de zorg voor de toekomstige generaties wel aan bod, in het negende gebod, maar zij staan altijd ten dienste van die mens uit het eerste gebod. Zij worden als middel gebruikt om het doel van het menselijk overleven te dienen, en nooit als ethisch doel op zich, om de Kantiaanse categorische imperatief toe te passen op een ethische kring die onze hele wereld omvat. Een radicale, progressieve moraal is hier dus ver te zoeken.
Verhofstadt eindigt zijn boek met een volstrekt terecht pleidooi voor een strikte scheiding tussen kerk en staat. Wat doet een neutrale koning op een Te Deum, vraagt hij zich af, en waarom moeten priesters en imams door de overheid betaald worden, en niet door de gelovigen, zoals dat bijvoorbeeld in Groot-Brittannië gebeurt? Het onderwijs moet de kloof tussen mythisch en rationeel denken verduidelijken en wij allemaal moeten onze vrijheid van meningsuiting niet vrijwillig aan de kant schuiven uit respect voor de islam - of uit vrees voor ons leven - want soms is moed een grotere deugd dan mededogen. Religie is voor hem een persoonlijke zaak. Je mag best katholiek of moslim zijn, maar hou dat thuis, want in onze wereldse maatschappij gelden seculiere regels. De vraag is echter of dit wel zo eenvoudig is. Een religie is nu eenmaal een wereldomvattend ideologisch systeem en dat laat zich niet zomaar een twee drie terugbrengen tot devotie. Misschien dat dit in het Westen nog lukt, maar kom in het Midden-Oosten maar eens aan met de stelling dat de islam niets van doen heeft met ethiek of politiek. Of zoals de volstrekt wereldse Egyptische schrijver Parker Bilal het onlangs nog zei: “Degenen die ervan dromen de islam uit de Egyptische politiek te halen zijn naïef. De islam maakt immers een belangrijk deel uit van het sociale weefsel van het land en zegt iets over samenleven, ethiek en wetgeving. Het is dus niet verwonderlijk dat die islam ook een politiek gezicht heeft.”