Van Zin naar zin, een persoonlijke zoektocht: Dat idee dat ik vroeger had, dat deze wereld en ons leven een diepe betekenis moeten hebben, een verborgen zin, dat ben ik kwijt.
Ik wil wel degelijk een zin aan mijn leven geven, en proberen er iets van te maken, maar het is een “zin” zonder hoofdletter.
Aan de andere kant kan ik me mijn leven niet voorstellen zonder de verhalen van het Oude en Nieuwe Testament en de diepe wijsheid die daarin ligt opgeslagen.
Het boek van Carel Ter Linden is een bestseller. Toch is de inhoud niet zozeer spectaculair, daarvoor schrijft Ter Linden tezeer als een dominee: welbespraakt, gemoedelijk en nergens hard of kwetsend. Nee, het boek zal eerder revolutionair te noemen zijn, want het zal in de ogen van veel mensen zijn als een geschrift van weer een dominee die van zijn geloof is gevallen. Het boek laat mooi zien dat de grens tussen gelovige en atheïst niet altijd scherp te trekken valt. En bovendien hangt het van iemands perspectief af hoe je iemand beschouwt. Want ondanks de bijbelse taal die Ter Linden hanteert, en ondanks de vriendelijke conversatietoon die het hele boek kenmerkt, vermoed ik toch dat heel veel gelovigen dit boek van Ter Linden zullen beschouwen als een atheïstisch manifest, een geschrift van iemand die weliswaar zonder rancune, maar toch, afscheid heeft genomen van veel van de centrale inhouden van het christelijk geloof.
Zo gelooft Ter Linden niet langer in een God als een objectief bestaande, transcendente realiteit. Hij gelooft niet in de goddelijkheid van Jezus Christus. Jezus was een mens, die ook geen wonderen heeft verricht tenzij je hem beschouwt als een tovenaar (106). De wonderen die in de Bijbel beschreven staan, zijn prachtige beelden, maar geen realiteit (108). Ter Linden gelooft ook niet in de opstanding van Jezus uit de dood. Het lege graf is een mooi verhaal, en berust wellicht op hallucinaties, maar Jezus is gestorven, “zijn lichaam zal daarna zijn begraven of door dieren verscheurd, wie zal het zeggen” (182). Bij de dood houdt het voor Ter Linden allemaal op, in een ‘leven na de dood’ gelooft hij niet, en ook niet in de ‘wederopstanding des vlezes’. Voor Ter Linden is de waarneembare werkelijkheid alles wat er is.
Het enige dat Ter Lindens positie nog herkenbaar maakt voor de gelovige, is zijn vasthouden aan de Bijbel als een wijsheidsboek, een verhalenboek dat zaken verwoordt die mensen haast niet kunnen bedenken. Het is geen boek om geschiedenis uit te leren, of natuurkunde of biologie of kosmologie. Het is een boek om levenswijsheid uit op te doen. Het is de bijbelse taal die Ter Linden gebruikt, die voor veel mensen herkenbaar is als ‘de taal van het geloof’. Het is die taal waarvan Ter Linden zich in zijn boek rijkelijk van bedient, en die een werkelijkheid oproept die Ter Linden niettemin meent doorzien als een illusie en schone schijn. De Bijbel voor Ter Linden geen openbaring in de traditionele zin van het woord. De wijsheid van de Bijbel, en vooral de ethische normen en waarden die onze hedendaagse cultuur zozeer beïnvloed hebben, de waarden van naastenliefde en altruïsme: “Die waarden komen niet van boven, ze komen van beneden. We hebben ze met vallen en opstaan, uit eigen ervaring dus, moeten leren. We lezen ze aan het leven zelf af” (28).
Iets soortgelijks geldt voor het idee van ‘God’. Ter Linden is huiverig om God louter een projectie te noemen. Eerder is God in de loop van de cultureel-biologische ontwikkeling van de mens ontdekt (171), analoog, zo dacht ik tijdens het lezen van het boek, aan de ontdekking van wiskundige objecten en waarheden. Maar anders dan de abstracte wiskundige objecten, is het idee van God geen onveranderlijk gegeven, maar veranderen ideeën omtrent God wanneer menselijke inzichten verandert. God is niet af, zo schrijft Ter Linden aan het eind van zijn boek. God ontwikkelt zich met de mens, en het zou zomaar kunnen dat er in de toekomst iemand opstaat die nieuwe inzichten heeft “en daarmee ons denken en geloven in de ogen van mensen die dán leven, nog een stap verder brengt, dan de man van Nazareth dat heeft gedaan. In wie het Essentiële zich nog weer nader openbaart” (172). Met andere woorden, iemand die de mens Jezus overtreft in inzicht en wijsheid.
Het Essentiële, het neutralere synoniem dat Ter Linden in zijn boek voor het beladen woordje ‘God’ hanteert, en dat omschreven wordt als “een innerlijk ervaren, beslissend appèl tot verantwoordelijk mens-zijn” (142), is de roep om eerbied voor het leven, de bron van moed, gegrond op hoop en vertrouwen (152). “God is een bron van kracht, van inspiratie, die in de bijbel sprekend wordt opgevoerd, maar die zichzelf niet kan kennen, maar alleen door de mens gekend en benoemd en belichaamd kan worden” (138-140). Het zijn de mensen die het moeten doen, God is volledig afhankelijk van wat mensen doen. Daarmee blijft van Ter Lindens geloof niet meer over dan een geloof in de mens. En humanisme, dat ontegenzeggelijk óók onderdeel is van het christelijk gedachtegoed, maar toch niet als laatste woord.
Het is uiteindelijk een boek met een harde boodschap verpakt in fluweelzachte woorden: een predikant die voor het merendeel afscheid neemt van het christelijk geloof zoals dat door de eeuwen heen beleden is en nu nog door velen beleden wordt. En waarom? Heel duidelijk in dit boek is dat er twee redenen zijn, de ene persoonlijk verankerd en expliciet gemaakt, namelijk het probleem dat Ter Linden heeft met het kwaad en lijden in de wereld. De andere reden is meer impliciet en moet je tussen de regels door lezen, namelijk de volledige acceptatie van een ontologisch naturalisme dat ons door veel natuurwetenschappers via de cultuur en de media wordt opgedrongen.
Ter Linden gaat vrijwel volledig mee met het monisme, fysicalisme en reductionisme van dat ontologisch naturalisme, dat ‘cultureel sciëntisme’ zoals ik het elders heb genoemd. Het is zijn levensbeschouwing geworden, hij is erdoor opgezogen en heeft zich eraan overgegeven en het wordt nog slechts mompelend tegengesproken door zijn vasthouden aan de waarde en eigen waarheid van bijbelse verhalen. Dat binnen de Bijbel zelf alsook in de joodse en christelijke theologie de transcendentie en dus andersheid van God juist ook als kritische Tegenstem klinkt tegen ieder door de mens gesloten gedacht wereldbeeld, dat lijkt Ter Linden volledig vergeten te zijn.
Twintig jaar geleden las ik het boek “Zeker weten, voor wie geen grond meer ziet” van de Nederlandse dominee H.M. Kuitert, dat destijds nogal wat stof deed opwaaien, maar nu algemeen vergeten lijkt. Kuitert vatte daarin zijn visie samen dat alle godsdienst “van beneden” komt, alle religieuze voorstellingen zijn het product van het menselijke worstelen met de wereld en het leven; met andere woorden: er is geen transcendentie in de traditionele zin van het woord. Ik herinner me nog dat ik erg teleurgesteld was in het boek; de algemene denktrant kon ik wel volgen, die sloot aan bij mijn eigen overtuiging; toch vond ik dat Kuitert veel te negatief was, het boek was teveel een afscheid van dan een perspectief op iets nieuws.
Datzelfde gevoel heb ik nu opnieuw bij het boek van Ter Linden. Ook hier weer hebben we te maken met een Nederlandse predikant die heel openlijk afstand neemt van een aantal traditionele geloofsinzichten, ook zijn eigen inzichten van weleer: er is geen almachtige God die ergens boven ons uit torent, er is geen opstanding uit de dood, Jezus was niet goddelijk, enzovoort. Allemaal erg gelijkend op Kuitert dus, al vind ik het eigenaardig dat Ter Linden hem nergens vermeldt. Ook merkwaardig: hij voegt twee hoofdstukjes toe met puur wetenschappelijke uitleg over de evolutietheorie en de stand van de medische wetenschap inzake genetica en dergelijke. Alsof dat voldoende is om alle tegenwerpingen tegen zijn “afscheid van” de mond te snoeren.
Maar Ter Linden zet wel een stapje verder dan Kuitert: hij probeert dit afscheid te overstijgen, en zoekt naar een nieuwe manier om wat hij waardevol in het geloof te redden. Ten dele slaagt hij daar wel daarin, vind ik. De auteur voert voor een stuk oude kost op: het al tientallen jaren oude inzicht dat de Bijbelverhalen (en bij uitbreiding alle religieuze, ook niet-christelijke, verhalen) een bepaalde lectuur van de werkelijkheid zijn, “gestolde ervaring”, om nog eens een klassieker van stal te halen; verhalen die erg gekleurd zijn door de context waarin ze tot stand kwamen, zodat we ze constant moeten hertalen naar onze tijd en context. Dat is allemaal erg volgbaar en aannemelijk, maar Ter Linden trekt daar dan ineens de conclusie uit dat we het godsbegrip maar beter schrappen en vervangen door “het Essentiële”, namelijk datgene waar het in dit leven echt omdraait, en hij vertaalt dat dan maar meteen met typische (christelijke?) waarden als trouw, liefde, rechtvaardigheid, enz. En hier smokkelt hij toch weer het “transcendentie”-begrip binnen, vaststellend dat van die waarden een appél uitgaat dat niet vrijblijvend is.
Dit boekje is vreemde lectuur: je ziet Ter Linden worstelen met zijn “afscheid van”, en je ziet hem ook kronkelen om dingen die hij toch waardevol vindt te redden. Dat is menselijk, en in die zin aandoenlijk. En ik volg hem zeker op een heleboel punten, al ben ik geen theoloog en heb ik helemaal geen zicht op de ontwikkelingen op dat domein. Maar net als bij Kuitert voldoet me zijn “alternatief” niet helemaal. Ik begrijp wel waarom hij het begrip “God” wil vervangen door het begrip “het Essentiële”, maar ik word daar niet warm van, ik voel me er niet door gegrepen; het is een rationele oplossing die geen antwoord biedt op een emotionele, diepmenselijke vraag. In die zin blijf ik met Ter Linden op mijn honger zitten.
Ter Linden brengt het geloof terug tot wat volgens hem de kern is en dat is het overleven van de mensheid. De kern om te overleven is ook geëvolueerd en is nu volgnes hem uiteindelijk de waarden van liefde, trouw en rechtvaardigheid. Hij definieert deze termen vanuit de Christelijke traditie die door de de wijsheid van het Joodse volk ontstaan zijn. Hij ziet geen basis om God als een persoon boven onze werkelijkheid te zien. Hij ervaart dat niet en vindt het ook niet logisch gezien de wetenschappelijke kennis van evolutie en biologie. Ik vind het jammer dat ter Linden geen ruimte voor het mysterie laat. Hij heeft alles binnen zijn kennisraam verklaard op deze manier maar of het waar is weet hij ook niet. Het is de vraag of er meerdere werkelijkheden zijn. Heeft alles een reden of is toeval de basis? De essentiële waarden die hij noemt en die hij de kern tot overleven noemt snap ik wel, er zit inderdaad ontwikkeling in de mensheid en we worden 'beschaafder' lijkt het wel. Voor het bovennatuurlijke is bij hem geen ruimte meer en hij gelooft dan ook niet het meta fysische. Ik heb waardering voor zijn eerlijkheid maar vind hem teveel doorslaan en te simpel in zijn oplossing omdat hij de wetenschap op een (te) hoog voetstuk plaatst. De kennis van de natuurwetenschap (en onze menselijke beperkingen) is per definitie tijdelijk en beperkt en het is dan ook gevaarlijk daar je alleen op te baseren.
Een teleurstellend boek. De bijbelse theologie die hier aan ten grondslag ligt is overbekend. In de zgn Amsterdamse school is dit vele malen duidelijker gezegd.Daar mocht ik al kennis mee maken op de middelbare school. Met dank aan mijn godsdienstleraar Leen van den Burg. Het is verder een aanleunen tegen en geen gesprek met de moderne wetenschap. Een gedateerd boek.
Het is een moedige poging om geloof en wetenschap bij elkaar te brengen. Het vertrekt vanuit de vragen en twijfels van ongelovigen en maakt duidelijk dat deze vragen en twijfels voor gelovigen ook niet vreemd zijn. Het is een boek dat vertrouwen uitspreekt in een God die niet te vangen is in woorden.