Er zijn eindeloos veel vaders en moeders, en nog veel meer dochters en zonen. En tussen al die ouders en kinderen heerst eindeloos veel liefde - en eindeloos veel onbegrip. Soms is er sprake van blinde liefde, soms van levenslange vriendschap, soms ook van machteloze weerzin. Maar wat we elkaar ook aandoen: wanneer een van ons sterft, vergaat de wereld.
In Familie duurt een mensenleven lang staan honderd aangrijpende, ontluisterende en bemoedigende gedichten over het gezinsleven, over vaders, moeders, dochters, zonen en andere verwanten. Te zamen geven ze een haarscherpe kijk op het lief en leed dat familie heet. Als we lezen hoe de dichter Martinus Nijhoff als kleine jongen met zijn moeder naar de wolken lag te kijken, kunnen we alleen maar met weemoed aan onze eigen jeugd terugdenken. En wie leest hoe onze beste dichters de dood van hun dierbaren verwoorden, moet zich wel gewonnen geven voor de weergaloze liefde die er uit deze kleine monumenten van verdriet spreekt.
Familie duurt een mensenleven lang, samengesteld en ingeleid door Menno Wigman, bevat honderd schitterende, troostvolle, tedere én opstandige gedichten uit de Nederlandse poëzie van de twintigste eeuw.
Menno Wigman groeide op in Santpoort. Op het Gymnasium Felisenum in Velsen-Zuid kreeg hij, door het enthousiasme van zijn leraar Nederlands Lex ter Braak, belangstelling voor poëzie. Hij debuteerde jong: in 1985 verscheen Two poems, een door zijn leraar Oude talen, Willem Kramer, in kleine oplage gedrukt boekje, met een linosnede van Lex ter Braak. Bij dezelfde marge-drukker, onder de naam Mercator Pers, zouden in de loop der jaren nog een zestal uitgaven verschijnen.
In 1984 verhuisde Wigman naar Amsterdam om Nederlands te studeren. In deze jaren publiceerde hij ook een dichtbundel in eigen beheer en gaf hij een literair eenmanstijdschrift uit, dat hij volschrijft onder decadente pseudoniemen als Guillaume de Bazelaire en Arthur von Salis. Als bijbaantje werkte hij bij een hoofdstedelijk antiquariaat. Zijn scriptie gaat over de jonggestorven dichter Nico Slothouwer.
Zijn officiële debuut verscheen in 1997 onder de titel 's Zomers stinken alle steden. De bundel werd goed ontvangen en spoedig herdrukt. Vijf jaar later verscheen Zwart als kaviaar, waarvoor hij de Jan Campert-prijs kreeg. De eveneens herdrukte bundel Dit is mijn dag verscheen in 2004. In 2005 verbleef Wigman drie maanden als poet in residence in de psychiatrische instelling Willem Arntsz Hoeve in Den Dolder, waar hij een dagboek bijhield dat in 2006 gepubliceerd werd, bijzonder vormgegeven door Tessa van der Waals. De neerslag van dat verblijf is eveneens te vinden in de Gedichtendagbundel De wereld bij avond. In maart 2009 verscheen De droefenis van copyrettes, een keuze uit zijn eigen werk. In januari 2012 verscheen Mijn naam is Legioen, welke bundel goede kritieken kreeg en binnen een maand tweemaal werd herdrukt. 26 januari volgde zijn benoeming, voor twee jaar, tot Stadsdichter van Amsterdam.
Menno Wigman was redacteur van het literaire tijdschrift Zoetermeer, en is tegenwoordig verbonden aan het tijdschrift Inkt! en de literaire bladen Awater en Kinbote. Hij vertaalde gedichten van Baudelaire, Thomas Bernhard, Else Lasker-Schüler en Rilke, en proza van Leopold Andrian en Gérard de Nerval.
His poems have been published in anthologies and magazines in Chinese, Czech, English, French, German, Macedonian, Portuguese, Rumanian, and Spanish.
Ja, ik had mijn Japanuari ook heel anders voor me gezien, maar soms gaan dingen zoals ze gaan.
Hoe dan ook, dit is een verzameling gedichten om van te genieten, zolang je geen zoetsappigheden verwacht gezien de toch wel lichtelijk misleidende titel. Al verklapt de naam Menno Wigman als samensteller wel de algehele toon. Zijn naam verraadt somberte en melancholie, maar ook kwaliteit. Soms gaan die dingen hand in hand, soms gaan die dingen zoals ze gaan.