Na de ‘zieke’ Adelaïde daagt in Eric (1931) de redding voor de familie Roothooft. Ook nu nog kunnen wij ons voorstellen hoe het brave publiek in Nederland en Vlaanderen ontsteld was door dit woeste reservaat waarin Walschap zijn lezer krioelend van personages, hartstochten en drama’s, bezield en bewogen door de impulsen van een rusteloze scheppende geest. “Om van de lotgevallen van zijn mensen te vertellen”, zegt literatuurhistoricus Dr. R.F. Lissens, “heeft Walschap een eigen romanformule en een eigen schrijftrant plotselinge overgangen van indirecte naar directe reden, constructies van een taal in haar hemdsmouwen.” Maar deze aparte manier van schrijven mag ons niet uit het oog doen verliezen dat Walschap ook een eigen manier van tijdskritiek in de tuin der vaderlandse letteren introduceerde. Het is de felste kritiek op een zekere vorm van christelijke beschaving, die nog alleen vorm en uiterlijk is.
Vervolgwerk op Adelaïde. Het naturalistische staat ook hier voorop, met iets minder dwingend noodlot: Eric had uitzicht op herstel, het kwam alleen te laat. Rating 2.5 stars.