Vond dit in de kast bij m’n moeder dus besloot er een poëzieavond van te maken. Wat ik eruit haal is dat het een soort reflectie is op wat poëzie is, in het bijzonder de plek (aan- of afwezigheid) van de dichter in zijn werk. Ik kon maar weinig vinden over deze bundel, behalve dat het tot Jooris’ latere werken behoort waarin hij schijnbaar poëzie en werkelijkheid dichter bij elkaar probeerde te brengen door middel van eenvoud (het eerste gedicht heet dan ook ‘Enkelvoud’), wat enigszins aansluit op dit idee van het uitwissen van de dichter, en veel van de gedichten richten zich bovendien op de ongereptheid van de natuur, oftewel het voor zichzelf laten spreken van de werkelijkheid.