Verhaal uit het ploeterende joodse proletariaat van eind negentiende eeuw, vol tragiek en leed, maar ook doortrokken van de humor die jiddische verhalen uit deze periode kenmerkt. Verhalen van de ‘underdog’.
Een voorbeeld van een heel levendige en zintuiglijk beschreven passage, waar ook de vaardige vertalershand van Willy Brill zichtbaar wordt:
“Met de grootste moeite wurm ik mij tussen al die voertuigen door […] en ga de herberg in.
Wat zich daarbinnen afspeelt dringt niet meteen tot mij door. Alles komt beetje bij beetje op me af. De eerste die onthaald wordt is mijn neus. Direct bij binnenkomst, op de drempel al, slaat me een scherpe, bittere stallucht in het gezicht, een mengsel van alcohol, goedkope tabak en menselijk zweet. Als mijn neus zijn dank voor dit welkom heeft uitgesproken met een schallende niesbui, zijn de oren aan de beurt. Een lawaai, een tumult, een koor van schelle, bassende, schorre, krakende en snerpende stemmen doet een aanval op mijn trommelvliezen, om doof van te worden. Als neus en oren hun gelijke portie hebben gehad, gaan mijn ogen aan het werk. Na eerst in den blinde te hebben rondgedwaald tussen al die op elkaar gepakte mensen, zonder ook maar iets of iemand te kunnen onderscheiden, ontwaren ze in de verte, op een lange houten tafel, een lemen kandelaar met een druipende vetkaars die een roodachtig flikkerend licht geeft. Daaromheen gelige en blauwgrijze kringen als regenbogen, ten gevolge van de hete walm en de rookwolken die in het lokaal hangen. Pas daarna begint in die dichte mist langzaam iets te dagen: neuzen, baarden, knevels, kuiven, gezichten en gelaatstrekken van mannen en vrouwen. Kluitjes mensen worden zichtbaar, sommigen houden zich nog op de been, al hebben ze hun vierde of vijfde dronk te pakken.” (p.48)