In 2016 verscheen dit boek met 40 columns van Martine Bijl. Ze zijn luchtig om te lezen en ook luchtig geschreven, maar oppervlakkig zijn ze toch niet. Hier en daar voel je enig ongemak, vooral waar ze schrijft over haar ouders die elkaar niet echt liefhadden. Haar vader was huisarts, haar moeder ‘de vrouw’ van de dokter, met een Indische achtergrond. Martine trad op als cabaretière, actrice en legde zich later toe op het vertalen van musicals. Dat vereist veel taalgevoel. Je moet juist niet alles letterlijk willen vertalen om ‘de geest’ van een verhaal aan een Nederlands publiek over te brengen. Daar schrijft ze verhelderend over. Terwijl Martine bezig was met het samenstellen van dit boekje, werd ze ziek door een hersenbloeding en moest ze revalideren. Ze schreef daarover later de bundel Rinkeldekink. Hier staan nog de onbevangen verhalen van voor die periode, maar ook hier maakt ze al de balans van haar leven op. Eén leven dat haar veel gaf en waarin zij haar talenten ontplooide, maar ook met enige droefheid. Het boekje is opgedragen aan haar man Berend Boudewijn, met wie ze veel samen ondernam en die later zelf ook over deze relatie heeft geschreven, als postuum eerbetoon.