‘Vertel me wie we waren’ is het derde deel van de trilogie die Rindert Kromhout wijdde aan Charleston House, zijn bewoners en hun vrienden en familie…
Quentin (Bell, jongste zoon van Vanessa Bell) bezoekt er Duncan Grant, die als laatste stand heeft gehouden in het langzaam vervallende huis, de dag voor ook hij er zal vertrekken. Het is 1978, Duncan is 93 en zal de volgende ochtend worden opgehaald door vriend Paul Roche die zich samen met zijn vrouw over hem zal ontfermen in wat zijn laatste maanden zullen blijken. Op 8 mei overlijdt Duncan Grant. ‘Nu was er niemand meer over van de mensen die mij hebben gevormd,’ laat Rindert Kromhout Quentin zeggen. ‘Nu waren alleen de verhalen er nog…’
In ‘Vertel me wie we waren’ dolen Quentin en Duncan, later vervoegd door Angelica, een laatste keer rond door Charleston House en wordt er wat ‘petite histoire’ uit de schaduw gehaald van de grotere verhalen die iedereen kent en die in ‘Soldaten huilen niet ‘ en ‘April is de wreedste maand’ aan bod kwamen. In ‘Vertel me wie we waren’ zien we Leonard en Virginia ‘knoeien’ met het eerste zetsel van hun Hogarth Press (en lezen we over hun weigering om Ulysses uit te geven), we delen Lady Ottoline’s verdriet om de dood van haar jonge minnaar (een verhaal dat door de soms toch wel gemene Bloomsburries tot vermaak van iedereen werd doorverteld en D.H. Lawrence de inspiratie bezorgde voor ‘Lady Chatterly’s Lover’), we leren de verborgen kant van huishoudster Grace kennen (‘Wie niet beter wist, dacht dat de wereld van Grace uit niet veel meer bestond dan de keuken van Charleston, de vloeren die ze boende, de ramen die ze zeemde en de bedden die ze opmaakte. Maar Grace’s wereld was veel groter, want ze las.’) en de bedoelingen van David Garnett (Duncans minnaar en grote liefde die vele jaren later met Angelica zou trouwen)…
In de epiloog (‘Voorjaar 1986’) krijgen we het relaas van de restauratie van Charleston Farmhouse, dat dank zij de bezieling van kunsthistorica Deborah Gage en de intensieve medewerking van Quentin en Angelica ‘gered’ werd en sinds de opening voor publiek jaarlijks duizenden bezoekers mag verwelkomen.
Kromhout voegt ook weer een kleine literatuurlijst toe en hoewel er niets gaat boven het werk van Quentin zelf, dé chroniqueur van Bloomsburry, is ‘Vertel me wie we waren’ een mooie aanvulling bij deze trilogie. Wie de doelgroep niet uit het oog verliest (+14) krijgt op enkele uren tijd bij het lezen van deze drie boeken een mooi tijdsbeeld van een rijke, inspirerende periode. En wie tot de doelgroep behoort maakt kennis met interessante ideeën en belangrijke namen uit die periode: Virginia en Leonard Woolf, John Maynard Keynes, E.M. Forster, Lytton Strachey, Roger Fry, Clive Bell, Lady Ottoline Morell, T.S. Eliot…. en uiteraard Vanessa Bell en Duncan Grant.
Je kan slechter krijgen als veertienjarige.
(Omdat de literatuurlijst beperkt is, graag een toevoeging: Quentin Bell’s memoires ‘Elders and Betters’, verschenen in 1995, kort voor zijn dood in 1996.)