Dit jaar stierf de Nederlandse journalist Wim Kayzer op zessenzeventig jarige leeftijd. Bij onze noorderburen is zijn naam wellicht even bekend als die van Paul Jambers hier in de jaren ‘80.
Kayzer was een getalenteerde interviewer die als gastheer in verschillende praatprogramma’s zijn gasten meenam in een gesprek vol introspectie. Dit deed hij op de VPRO tijdens de series ‘een schitterend ongeluk’ en ‘over schoonheid en troost’. Beide series kregen een vervolg in boekvorm. Wim Kayzer, steeds met het zwarte lapje voor zijn blinde linkeroog, schreef slechts 2 romans. ‘De waarnemer’ was hiervan zijn debuut.
In dit boek gaat een net gepensioneerde Nederlandse dokter op een boerderij wonen in de Franse Cevennen. Hij leidt er een afgezonderd leven en mijmert over zijn grote liefde Maria die meer dan 40 jaar geleden zelfmoord pleegde, hij voert er in gedachten gesprekken met Sophie, een vriendin die enkele jaren eerder stierf aan kanker en denkt vaak terug aan zijn allerbeste vriend Jeroen die ook al overleden is.
Hij is van plan om op de boerderij een rustig leven uit te bouwen, zich te laten gedijen op de jaargetijden en te genieten van de rust.
‘Hier ontsnap ik nog even aan de armoede van de ouderdom, als niets meer voor de eerste keer kan worden beleefd’, schrijft hij in zijn dagboek.
De eenzaamheid schrikt hem niet af, meer zelfs, het alleen zijn trekt hem in dit nieuw bestaan bijzonder aan. Geplande contacten die niet doorgaan, het zijn een bron van vreugde voor hem.
Het boek gaat over ouder worden, hoe je leefwereld verkleint, je dit ook aanvaardt en zelfs helemaal oké vindt. Hoe de grens tussen de werelden van de levenden en de gestorvenen steeds dunner wordt en je in je hoofd ook steeds meer in contact blijft met overleden geliefden. Zo ervaart hij het alleen zijn niet als eenzaamheid, daar zijn steeds Maria, Sophie en Jeroen en schrijft hij in zijn dagboek in gedachten aan Sophie:
‘Ik ging met de auto naar het dorp. Jeroen zat naast me. Ik neem hem de laatste tijd wel vaker mee, net als jou en Maria. Maria en jij zitten altijd op de achterbank. Het is of de wereld kleiner en kleiner wordt, alsof jullie de mensen zijn die ik aan het bestaan heb overgehouden. Soms raak ik met iemand anders in gesprek, iemand die niet gestorven is, maar het gestorven of niet gestorven zijn maakt niet veel meer uit. Is het een bijwerking van ouder worden?’
‘Dat de kring van getrouwen een kleine is, dat is begrijpelijk, zo tegen het einde aan. Je houdt over wie blijkbaar belangrijk was. De anderen worden door het geheugen, los van jouw wil, afgedankt. Dat is een symptoom van het ouder worden, niet van een ziekte’.
Zijn filosofische beschouwingen zijn nooit ver weg. In zijn dagboek schrijft hij dat rouwen niets anders is dan het wennen aan de dood.
‘Je hebt jezelf zien doodgaan in die ander. Je mist hem of haar. Maar wat belangrijker is: je rouwt alvast om jezelf, die de volgende is’.
Kayzer slaagt er heel goed in om het dagelijks leven op de boerderij, waar de ene dag bijna niet verschilt van de andere en waarbij er weinig meer gebeurt dan de wissel van de seizoenen, op papier te vangen. Als lezer word je nieuwsgierig hoe dit moet zijn, als buitenlander afgezonderd te leven in een klein Frans dorp dat tijdens de zomer overspoeld wordt door toeristen en vervolgens maandenlang in een diepe winterslaap gaat waarbij zelfs ook de zwerfkatten op hun schuilplaatsen binnenblijven.
Hierover schrijft hij aan Sophie wat hij zag op de marktdag tijdens het toeristenseizoen:
‘De kuddes zijn nog niet weg. Eén peristaltische beweging van lichamen. De lichamen lieten zich door elkaar voortstuwen. Het dorp golfde echt. Ik keek vanaf het kruispunt toe. Twee maanden geleden was er geen levende ziel en zo meteen is het dorp wederom uitgestorven, maar intussen is het vlees geworden en het vlees rolt af en aan. Eén grote vleesgolf in het dorp. Het dorp is door vlees bezet gebied. Misschien komt het doordat ik alleen woon en de mensen die ik ontmoet geklede buren zijn, maar ik keek met verbijstering naar de naaktheid van al die mensen. Leeftijd deed er niet toe: iedereen was schaars gekleed als om zijn naaktheid te beklemtonen. Breughel zou handenwrijvend hebben toegekeken. Rubens zou schetspapier tekort zijn gekomen, de eerste de beste pornokoning had zijn camera slechts op het terras van jouw café hoeven neerzetten om in één morgen zijn jaaromzet te halen. Hadden al die mensen zich half ontkleed vanwege de hitte? Maar het was geen warme dag. Was hun exhibitionisme het bewijs van hun tijdelijke invrijheidstelling? Hele families trokken halfnaakt door de straten, keurige kleinburgers pronkten met hun lijven, ze wiegden met hun kont, ze toonden de meest wanstaltige vleesbulten als proeven van wellust en bevrijding. De vrijheid toonde zich in melkklieren, okselhaar, kruishaar, wratten, puisten, reten, bierbuiken -zegevierend vooruitgestoken- en borsten in alle vormen en maten. De zon speelde eroverheen’.
Het vooruitzicht om nog twintig, dertig jaar te genieten van het trage ritme in het rustgevend decor van zijn alleenstaande boerderij, wordt verstoord door een banaal medisch onderzoek waarbij de resultaten op de cognitieve testen toch wel alarmerend zijn. De mijmeringen die hieruit voortvloeiden vond ik bijzonder knap. Als gewezen dokter is hij er zich heel goed van bewust dat dit de eerste tekenen van Alzheimer kunnen zijn. Hij vraagt zich af of hij nu best verdere onderzoeken laat doen, de resultaten tot in detail nakijkt of dit alles aan de voorzienigheid overlaat: wat moet komen, komt toch, sowieso.
‘Ik heb, in het begin van mijn loopbaan, dit soort details soms unverfroren meegedeeld aan patiënten en ze gingen er stuk voor stuk aan kapot omdat de percentages en cijfers als evenzovele wegwijzers naar de ontgoocheling wezen, ze bleven in hun geheugen hangen als een troep wespen die niet ophield te steken. Ja, ze gingen zich naar die percentages en cijfers gedragen waardoor het verval sneller ging dan nodig was. Ze voelen de dood al door hun hersens kruipen’.
Bijzonder zijn ook zijn bedenkingen, over wanneer het echt zal toeslaan, en of hij het dan nog zal weten.
‘Ik sta met mijn rug naar de toekomst. Wie nauwelijks meer woorden heeft omdat hun betekenis hem meer en meer begint te ontglippen, die daalt af naar de status van een tweejarig kind dat de woorden wel hoort en ze ook aarzelend uitspreekt, maar zonder hun betekenis nog echt te vatten. Ik ga, nu nog stapvoets, straks in draf, en daarna in galop richting kindsheid. Nog even en ik bevind me tussen mens en patiënt. Nog even en ze zullen me met door deernis getemperde minachting bezien. De woorden zullen me verlaten. Verlaten ze me al? Hun betekenissen zullen door elkaar dwarrelen. Vanaf welk moment behoor je niet meer tot de mensen?’.
Wim Kayzer stierf dit jaar op 7 mei. Hij werd 76 jaar.
Quotering: ***
Gent , 30/07/2023