Pont du Gard
by Helena Rentmeester
genre:
Literature & Fiction
description:
Een vrouw ontdekt op een koude morgen dat er een vreemde man in haar tuin staat.
chapters
chapter 1:
1.
1.
chapter 1
—
updated 04/24/08
—
9420 characters
—
0 people liked it
Hoe hij in mijn tuin terechtgekomen was, begreep ik pas veel later. “Begreep” is zelfs nog te sterk uitgedrukt. Het was het gevolg van een proces dat ik nog maar ternauwernood begin te bevatten. Hijzelf begreep er nog wel het minst van. Het was aandoenlijk, tragisch en aangenaam tegelijk. De blik in zijn ogen: onvergetelijk.
Ik zat met een kop kop koffie in mijn rechterhand en las de krant, een gewoonte die er in de loop der jaren ingesleten is. Grijsje, mijn kat, lag languit naast me op de grond in de zon. Mijn bureau staat bij het raam, waar ik het beste licht heb. En vanwege het uitzicht naar de tuin natuurlijk. Ik beschouwde het als een voorrecht dat ik hier mocht wonen. Het bejaarde echtpaar van wie ik het huurde, bewoonde de andere helft. Een charmant huisje uit de jaren dertig, net buiten het centrum gelegen, met uitzicht op de rivier die “traag door oneindig laagland gaat”, zoals Marsman het zo prachtig verwoordt. Het bejaarde echtpaar van wie ik het huurde, woonde in het huis ernaast.
De dichte takken van de oude bomen filterden het licht dat op mijn krant viel. De vogels vochten om het voer dat ik in het vogelhuisje had gestrooid. Terwijl ik de koolmezen telde, trok een steelse beweging mijn aandacht. Heel even dacht ik dat iemand zich verborg achter de gegroefde stam van de oude es, die halverwege de tuin in het gras staat. Maar toen ik beter keek, raakte ik ervan overtuigd dat ik me vergiste. Ik ben bepaald geen ochtendmens en was nog niet helemaal helder. Ik zette mijn koffie neer en verdiepte me weer in het wereldleed.
Op het moment dat ik pagina zes opensloeg, dacht ik vanuit mijn ooghoek weer iets te zien in de tuin. Met bonzend hart stond ik op. Ineens wist ik zeker dat er iets te gebeuren stond.
Ik liep op mijn tenen naar de keuken, vanwaar ik de tuin vanuit een andere hoek kon bekijken en gluurde vanachter de vitrage naar de dikke boom.
Toen zag ik hem. Hij stond met zijn rug naar me toe en had een vaalrode deken om zich heen geslagen, die wapperde in de kille januariwind. Met zijn linkerhand leunde hij tegen de stam, alsof hij houvast zocht. Er was iets aan hem, zelfs toen ik hem alleen nog maar op zijn rug zag, dat een wanhoop uitstraalde die ik alleen kende van televisiebeelden uit rampgebieden. De manier waarop hij tegen de boom steunde, de afhangende schouders. Hij leek volkomen verloren en niet op zijn plaats.
Dit is geen gewone insluiper, concludeerde ik en ik trok mijn schoenen aan die bij de deur op de mat stonden. Terwijl ik mijn veters vastknoopte, overwoog ik hoe ik het best op hem af kon lopen. Kordaat en vastberaden? Of voorzichtig en heimelijk? Ik vroeg me af waar hij het minst van zou schrikken, want plotseling besefte ik dat ik beslist niet wilde dat hij zou vluchten. Iets aan hem maakte me ontzettend nieuwsgierig, al kon ik niet benoemen wat dat precies was.
Hij keek om toen ik de deur opende en bleef als versteend staan, zijn gezicht een vreemde mengeling van opluchting en angst. Ik probeerde mijn verrassing te verbergen door een geruststellende glimlach op mijn gezicht te toveren. Langzaam liep ik naar hem toe. Hij liet de ruwe bast van de boom niet los toen hij een stap achterwaarts deed.
‘Niet weglopen,’ zei ik, maar op de een of andere manier klonken mijn woorden belachelijk en hol. Ik bleef staan.
Hij keek naar me zoals iemand kijkt die al in geen maanden een menselijk wezen gezien heeft. Hij staarde me aan, leek mijn onverwachte verschijning in te drinken en zijn ogen werden groter. Hoewel hij niet wegliep, had ik niet de indruk dat dat door mijn woorden kwam. Hij kwam hier duidelijk niet vandaan en verstond waarschijnlijk geen woord van wat ik hem zei. Even verkeerden we in een impasse, toen deed ik een stap achteruit.
‘Kom,’ wenkte ik, meer voor mezelf dan voor hem en hij volgde me aarzelend, zoals een bang dier dat zou doen.
Toen hij in de keuken stond, keek hij nieuwsgierig om zich heen. Hij schrok niet, zoals ik eigenlijk min of meer verwacht had, toen ik de deur achter hem sloot. Hij slaakte een trillende zucht en plooide de deken wat losser rond zijn schouders. Toen pas zag ik zijn blote voeten. Ze waren niet helemaal bloot, maar gestoken in een soort ouderwetse sandalen. Sandalen? Het was januari.
Het eerste dat me aan hem opviel toen hij naast me stond, was dat hij niet stonk. Zwervers verspreiden een zurige, rottende lucht die in hun huid en kleren trekt. Hij rook schoon, ik bespeurde zelfs een vleugje lavendel. Zijn donkere haar was keurig gemillimeterd, zijn kin glad en zijn nagels waren schoon, hoewel zijn handen ruw en eeltig waren. Hij was nauwelijks groter dan ik en ontzettend mager. Toch leek hij niet uitgehongerd, want zijn blik gleed maar heel even, en zonder veel belangstelling, over het brood op het aanrecht dat voor de vogeltjes bestemd was.
Zwijgend volgde hij me naar de voorkamer. Zijn groenbruine ogen schoten alle kanten op. Alsof hij nooit eerder een huis als het mijne van binnen gezien had, keek hij met verwondering naar de schuifdeuren en het glas-in-lood, naar de deurposten en de hoge plafonds. Toch is mijn inrichting niet zo heel bijzonder. Ik heb antieke meubelen, die ik van mijn grootouders heb geërfd en het enige werkelijk opvallende meubelstuk is de oude piano waarop ik nooit meer speel. De wanden zijn gestuukt en geverfd in een geelbruine tint die me doet denken aan de heuvels van Toscane. Ik heb wat schilderijen hangen; bomen, vergezichten, landschappen met koeien.
Ik wenkte hem dat hij kon gaan zitten, maar hij bleef schuchter staan en wachtte tot ik zelf ging zitten. Niet erg op zijn gemak ging hij daarna op de andere bank tegenover mij zitten, onwennig en met zijn rug zo ver mogelijk van de leuning. De deken gleed van zijn schouders en ineens begreep ik het. Niet dat ik het kon verklaren natuurlijk. Ik snapte er werkelijk niets van. Slechts het simpele feit dat ik op dat moment besefte dat hij er nog minder van begreep dan ik, maakte dat ik hem geloofde. Dat dit geen flauwe grap was. Dat hij écht was, zo echt als de bank waarop ik zat.
De deken – geen deken, een mantel, besefte ik nu – was van zijn schouders gegleden. Hij droeg een knielange tunica van baksteenrode wol en bij de hals was nog juist de rand van een wit linnen onderhemd te zien. Om zijn middel droeg hij een leren gordel met daaraan een mes en een kleine buidel. Zijn vetersandalen pasten wonderwel bij dit ongewone geheel. Ik kon geen woord uitbrengen en voelde een benauwde brok in mijn keel.
Hij leek mijn verwarring niet op te merken. Zijn blik dwaalde van mij naar de kamer en weer terug naar mij. Toen klaarde zijn gezicht op; een flits van herkenning. Hij keek schuin achter me, waar in de boekenkast een foto van mij staat in Zuid-Frankrijk.
Na een bezoek aan de vieze stad Marseille was ik het binnenland in gevlucht en had bij Nîmes de rust gevonden die ik zocht in de schaduw van de Pont du Gard. Een jongen met een rugzak had op mijn verzoek een foto van mij genomen met mijn blocnote op schoot en het eeuwenoude aquaduct op de achtergrond.
Ik draaide me om en pakte de foto, die ik hem vervolgens gaf. Hij draaide de lijst enkele malen rond in zijn handen en schonk me een glimlach terwijl hij zijn vingers liefkozend over de bogen van het aquaduct liet glijden. Even trok er een donkere schaduw over zijn gelaat; een korte frons alsof een vage herinnering boven kwam drijven, maar hij herstelde zich snel.
Toen sprak hij voor het eerst. Het klonk een beetje als Italiaans. Snel en staccato, met een mediterrane klank. Zijn stem was jong maar had een aangenaam diepe, licht hese ondertoon.
Ik hief mijn handen op en schudde mijn hoofd omdat ik hem niet begreep. ‘Niet zo snel,’ zei ik onzeker in mijn gymnasium-Latijn. Ik werd overvallen door een gevoel van lot en noodlot, want ik had nooit het nut ingezien van het leren van een dode taal. Mijn vader had erop gehamerd dat ik Grieks en Latijn zou leren en uiteindelijk had ik sputterend ingestemd. “Marcus et Cornelia in horto ambulant ”; ik herinner me nog letterlijk die eerste woorden die we op het gymnasium te lezen kregen.
Een beetje naar mij voorovergebogen herhaalde hij zijn woorden, langzamer nu en bewust articulerend, met de onbedoelde arrogantie van de inwoner van een wereldrijk, die ervan uitgaat dat ieder beschaafd mens zijn taal spreekt.
Latijn lezen was me altijd wel redelijk afgegaan, maar het horen was een heel andere zaak. Er bleek een wezenlijk verschil tussen zijn plebejische straatlatijn en de deftige schrijftaal die ik op school had leren lezen. Het kostte me moeite hem te volgen en ik fronste mijn wenkbrauwen, maar terwijl hij sprak kwam het weggezakte Latijn in mijn geheugen bovendrijven.
In zijn verwarring wilde hij me alles tegelijk vragen. Waar hij was, wie ik was, hoe hij hier terechtgekomen was – wat ik ook niet wist natuurlijk – en hoe hij weer terug kon.
Ik onderbrak hem. Ik wilde eerst zijn naam weten.
‘Decimus Publicius Cascus.’
Ik besloot hem te confronteren met het onvermijdelijke: de werkelijkheid. ‘Decimus,’ zei ik zacht en in mijn beste Latijn – ik beging de vergissing hem bij zijn voornaam aan te spreken alsof ik een van zijn naaste familieleden was – ‘ik weet niet hoe je hier terechtgekomen bent, maar je bevindt je in de toekomst. Of anders gezegd: voor mij kom je uit het verleden.’
back to top
Ik zat met een kop kop koffie in mijn rechterhand en las de krant, een gewoonte die er in de loop der jaren ingesleten is. Grijsje, mijn kat, lag languit naast me op de grond in de zon. Mijn bureau staat bij het raam, waar ik het beste licht heb. En vanwege het uitzicht naar de tuin natuurlijk. Ik beschouwde het als een voorrecht dat ik hier mocht wonen. Het bejaarde echtpaar van wie ik het huurde, bewoonde de andere helft. Een charmant huisje uit de jaren dertig, net buiten het centrum gelegen, met uitzicht op de rivier die “traag door oneindig laagland gaat”, zoals Marsman het zo prachtig verwoordt. Het bejaarde echtpaar van wie ik het huurde, woonde in het huis ernaast.
De dichte takken van de oude bomen filterden het licht dat op mijn krant viel. De vogels vochten om het voer dat ik in het vogelhuisje had gestrooid. Terwijl ik de koolmezen telde, trok een steelse beweging mijn aandacht. Heel even dacht ik dat iemand zich verborg achter de gegroefde stam van de oude es, die halverwege de tuin in het gras staat. Maar toen ik beter keek, raakte ik ervan overtuigd dat ik me vergiste. Ik ben bepaald geen ochtendmens en was nog niet helemaal helder. Ik zette mijn koffie neer en verdiepte me weer in het wereldleed.
Op het moment dat ik pagina zes opensloeg, dacht ik vanuit mijn ooghoek weer iets te zien in de tuin. Met bonzend hart stond ik op. Ineens wist ik zeker dat er iets te gebeuren stond.
Ik liep op mijn tenen naar de keuken, vanwaar ik de tuin vanuit een andere hoek kon bekijken en gluurde vanachter de vitrage naar de dikke boom.
Toen zag ik hem. Hij stond met zijn rug naar me toe en had een vaalrode deken om zich heen geslagen, die wapperde in de kille januariwind. Met zijn linkerhand leunde hij tegen de stam, alsof hij houvast zocht. Er was iets aan hem, zelfs toen ik hem alleen nog maar op zijn rug zag, dat een wanhoop uitstraalde die ik alleen kende van televisiebeelden uit rampgebieden. De manier waarop hij tegen de boom steunde, de afhangende schouders. Hij leek volkomen verloren en niet op zijn plaats.
Dit is geen gewone insluiper, concludeerde ik en ik trok mijn schoenen aan die bij de deur op de mat stonden. Terwijl ik mijn veters vastknoopte, overwoog ik hoe ik het best op hem af kon lopen. Kordaat en vastberaden? Of voorzichtig en heimelijk? Ik vroeg me af waar hij het minst van zou schrikken, want plotseling besefte ik dat ik beslist niet wilde dat hij zou vluchten. Iets aan hem maakte me ontzettend nieuwsgierig, al kon ik niet benoemen wat dat precies was.
Hij keek om toen ik de deur opende en bleef als versteend staan, zijn gezicht een vreemde mengeling van opluchting en angst. Ik probeerde mijn verrassing te verbergen door een geruststellende glimlach op mijn gezicht te toveren. Langzaam liep ik naar hem toe. Hij liet de ruwe bast van de boom niet los toen hij een stap achterwaarts deed.
‘Niet weglopen,’ zei ik, maar op de een of andere manier klonken mijn woorden belachelijk en hol. Ik bleef staan.
Hij keek naar me zoals iemand kijkt die al in geen maanden een menselijk wezen gezien heeft. Hij staarde me aan, leek mijn onverwachte verschijning in te drinken en zijn ogen werden groter. Hoewel hij niet wegliep, had ik niet de indruk dat dat door mijn woorden kwam. Hij kwam hier duidelijk niet vandaan en verstond waarschijnlijk geen woord van wat ik hem zei. Even verkeerden we in een impasse, toen deed ik een stap achteruit.
‘Kom,’ wenkte ik, meer voor mezelf dan voor hem en hij volgde me aarzelend, zoals een bang dier dat zou doen.
Toen hij in de keuken stond, keek hij nieuwsgierig om zich heen. Hij schrok niet, zoals ik eigenlijk min of meer verwacht had, toen ik de deur achter hem sloot. Hij slaakte een trillende zucht en plooide de deken wat losser rond zijn schouders. Toen pas zag ik zijn blote voeten. Ze waren niet helemaal bloot, maar gestoken in een soort ouderwetse sandalen. Sandalen? Het was januari.
Het eerste dat me aan hem opviel toen hij naast me stond, was dat hij niet stonk. Zwervers verspreiden een zurige, rottende lucht die in hun huid en kleren trekt. Hij rook schoon, ik bespeurde zelfs een vleugje lavendel. Zijn donkere haar was keurig gemillimeterd, zijn kin glad en zijn nagels waren schoon, hoewel zijn handen ruw en eeltig waren. Hij was nauwelijks groter dan ik en ontzettend mager. Toch leek hij niet uitgehongerd, want zijn blik gleed maar heel even, en zonder veel belangstelling, over het brood op het aanrecht dat voor de vogeltjes bestemd was.
Zwijgend volgde hij me naar de voorkamer. Zijn groenbruine ogen schoten alle kanten op. Alsof hij nooit eerder een huis als het mijne van binnen gezien had, keek hij met verwondering naar de schuifdeuren en het glas-in-lood, naar de deurposten en de hoge plafonds. Toch is mijn inrichting niet zo heel bijzonder. Ik heb antieke meubelen, die ik van mijn grootouders heb geërfd en het enige werkelijk opvallende meubelstuk is de oude piano waarop ik nooit meer speel. De wanden zijn gestuukt en geverfd in een geelbruine tint die me doet denken aan de heuvels van Toscane. Ik heb wat schilderijen hangen; bomen, vergezichten, landschappen met koeien.
Ik wenkte hem dat hij kon gaan zitten, maar hij bleef schuchter staan en wachtte tot ik zelf ging zitten. Niet erg op zijn gemak ging hij daarna op de andere bank tegenover mij zitten, onwennig en met zijn rug zo ver mogelijk van de leuning. De deken gleed van zijn schouders en ineens begreep ik het. Niet dat ik het kon verklaren natuurlijk. Ik snapte er werkelijk niets van. Slechts het simpele feit dat ik op dat moment besefte dat hij er nog minder van begreep dan ik, maakte dat ik hem geloofde. Dat dit geen flauwe grap was. Dat hij écht was, zo echt als de bank waarop ik zat.
De deken – geen deken, een mantel, besefte ik nu – was van zijn schouders gegleden. Hij droeg een knielange tunica van baksteenrode wol en bij de hals was nog juist de rand van een wit linnen onderhemd te zien. Om zijn middel droeg hij een leren gordel met daaraan een mes en een kleine buidel. Zijn vetersandalen pasten wonderwel bij dit ongewone geheel. Ik kon geen woord uitbrengen en voelde een benauwde brok in mijn keel.
Hij leek mijn verwarring niet op te merken. Zijn blik dwaalde van mij naar de kamer en weer terug naar mij. Toen klaarde zijn gezicht op; een flits van herkenning. Hij keek schuin achter me, waar in de boekenkast een foto van mij staat in Zuid-Frankrijk.
Na een bezoek aan de vieze stad Marseille was ik het binnenland in gevlucht en had bij Nîmes de rust gevonden die ik zocht in de schaduw van de Pont du Gard. Een jongen met een rugzak had op mijn verzoek een foto van mij genomen met mijn blocnote op schoot en het eeuwenoude aquaduct op de achtergrond.
Ik draaide me om en pakte de foto, die ik hem vervolgens gaf. Hij draaide de lijst enkele malen rond in zijn handen en schonk me een glimlach terwijl hij zijn vingers liefkozend over de bogen van het aquaduct liet glijden. Even trok er een donkere schaduw over zijn gelaat; een korte frons alsof een vage herinnering boven kwam drijven, maar hij herstelde zich snel.
Toen sprak hij voor het eerst. Het klonk een beetje als Italiaans. Snel en staccato, met een mediterrane klank. Zijn stem was jong maar had een aangenaam diepe, licht hese ondertoon.
Ik hief mijn handen op en schudde mijn hoofd omdat ik hem niet begreep. ‘Niet zo snel,’ zei ik onzeker in mijn gymnasium-Latijn. Ik werd overvallen door een gevoel van lot en noodlot, want ik had nooit het nut ingezien van het leren van een dode taal. Mijn vader had erop gehamerd dat ik Grieks en Latijn zou leren en uiteindelijk had ik sputterend ingestemd. “Marcus et Cornelia in horto ambulant ”; ik herinner me nog letterlijk die eerste woorden die we op het gymnasium te lezen kregen.
Een beetje naar mij voorovergebogen herhaalde hij zijn woorden, langzamer nu en bewust articulerend, met de onbedoelde arrogantie van de inwoner van een wereldrijk, die ervan uitgaat dat ieder beschaafd mens zijn taal spreekt.
Latijn lezen was me altijd wel redelijk afgegaan, maar het horen was een heel andere zaak. Er bleek een wezenlijk verschil tussen zijn plebejische straatlatijn en de deftige schrijftaal die ik op school had leren lezen. Het kostte me moeite hem te volgen en ik fronste mijn wenkbrauwen, maar terwijl hij sprak kwam het weggezakte Latijn in mijn geheugen bovendrijven.
In zijn verwarring wilde hij me alles tegelijk vragen. Waar hij was, wie ik was, hoe hij hier terechtgekomen was – wat ik ook niet wist natuurlijk – en hoe hij weer terug kon.
Ik onderbrak hem. Ik wilde eerst zijn naam weten.
‘Decimus Publicius Cascus.’
Ik besloot hem te confronteren met het onvermijdelijke: de werkelijkheid. ‘Decimus,’ zei ik zacht en in mijn beste Latijn – ik beging de vergissing hem bij zijn voornaam aan te spreken alsof ik een van zijn naaste familieleden was – ‘ik weet niet hoe je hier terechtgekomen bent, maar je bevindt je in de toekomst. Of anders gezegd: voor mij kom je uit het verleden.’
Did you like this?
vote