Richard de Nooy's Blog

November 22, 2014

Ace designer Joey Hi-Fi is selling limited-edition, A2 posters of The Unsaid! For just R899 you could decorate your Bat Cave with one of two variants (see below). He only has 25 available, so you’d better hurry.


Click HERE Contact him via Twitter. Or contact me a richarddenooy at live dot nl


Joey Hi-Fi posters

 •  flag
0 comments
like  • 
Published on November 22, 2014 05:19 • 3 views

November 20, 2014

platform fatigueWith the exception of the ultra-famousest and bestsellingest, most writers have to make an effort to promote their own books. There are myriad ways of doing so, ranging from light-hearted banter on Twitter and Facebook (If you think I’m funny, buy my book) to the butt-clenchingly, toe-stubbingly annoying hard-sell shtick preferred by some US authors (I will keep plugging my self-published tome until you unfollow, block or arrange to murder me).


Back in the old days, when the web was little more than a basketball net compared to world-wrapping dragnet it is today, South African authors posted their blogs on BooksLIVE and spent many merry hours commenting on each other’s posts and discussing literature and more frivolous matters into the wee hours of the night. BooksLIVE was our literary salon; a place where we could meet to engage with one another, often oblivious to whoever might be listening in or reading over our shoulders.


Then someone alerted me to GoodReads. This was back in 2007, when my first book was published. It wasn’t always easy to connect with readers via the site, because even then they were wary of literary gnomes bearing tomes.


Then Facebook arrived on the scene and we all set up shop there, trying to connect with one another as we had done in the past, reaching out to readers, we hoped. We kept blogging here, but our comments and discussions now took place under our Facebook posts, where they could only be read by friends and acquaintances.


Then came Twitter and Instagram and Tumblr and you name it – the list of platforms keeps growing.


A recent discussion in the Good Book Appreciation Society on Facebook has convinced me that it is pointless to try plugging your work – in whatever way – on all these different platforms. I think the modern web dictates that we – writers, publishers and other bookish folk – need to seek a single, perhaps slightly exclusive place to post our blogs, reviews, excerpts and discussions. A place where readers are welcome to eavesdrop and read over our shoulders.


In short, I think we bookish folk all stand to benefit from returning to our literary salon. Here’s why:


- This is where we post our blogs. More comments = more attention for our writing/thoughts/discussion.


- Unlike Facebook, this is an open platform where anyone can read which books and topics are hot and happening.


- It’s almost impossible to keep track of the discussions on all the other platforms, to keep liking and retweeting and sharing stuff. Enough!


- By choosing a single platform, we not only create an exclusive space that is unique and interesting to others, but also save ourselves hours and hours of time spent scrolling through threads flung far and wide across the web.


- And most of all, I miss the sense of community and solidarity we once had here, the intensity and depth of the discussions, and the razor-sharp puns and jibes that were exchanged.


That said, I will of course be posting the link to this blog on Facebook and Twitter.


However, I have decided to ditch Google as my homepage, replacing it with BooksLIVE. I hope some of you will do the same.

 •  flag
0 comments
like  • 
Published on November 20, 2014 05:33 • 2 views

September 29, 2014

I.

All great poetry

juxtaposes two

disparate elements

like a banana and

the word juxtapose

with hard returns


II.

I’m as nervous as the night

I wrote and ripped up

my first love poem

to a girl who said

she was not ready

for my love

of poetry


III.

As ek in Afrikaans dig

dan sny die landskap

as ‘n roestige mes

droog deur my strot

om my bloed as rooi

blomme te plant

in die dorstige sand


IV.

A falling tree

is mostly just

a falling tree

hollowed by age

leafless, nude

splintered, breathless

waiting for words

to water its roots


V.

I will leave this here

to ensure that our

glasses never run dry

as we watch the birds

warm our hearts

with their wings

over chimneys


(Click here to get the poems fresh via Twitter.)

 •  flag
0 comments
like  • 
Published on September 29, 2014 04:54 • 2 views

September 24, 2014

Midnight park

(Foto: Christian Rudat)


Ignác Vrana haastte zich in de kleine uurtjes van de woensdag door Ztracenka Park toen hij de parachutist vond. Hij had de geur van zijn minnares van zich afgeschrobd en was onderweg naar zijn vrouw, die weliswaar lag te slapen, maar altijd even op de wekker keek als zij de sleutel van haar man in het slot hoorde. En Ignác wist dat elk kwartier na middernacht gelijk stond aan een extra vraag en een gelogen antwoord. Hij had, kortom, geen zin om een parachutist te vinden. Maar daar hield het noodlot geen rekening mee.


De parachute was gedrapeerd over een lage heg, als ware het een laken dat te drogen was gehangen en vergeten. Als gemeenteambtenaar wist Ignác dat het wassen en uithangen van lakens ten strengste verboden was in het park. Hij voelde zich daarom, ondanks zijn haast, verplicht om deze overtreding nader te onderzoeken en verwonderde zich al snel over de naden en stiksels die kriskras over het laken leken te lopen.


Ignác sloot stilletjes zijn paraplu en liet de regen op zijn hoed tikken. Hij bond het lusje om zijn natte wapen, klikte het drukknoopje vast als was het een veiligheidspal en sloop gebukt over het gras. Aangekomen bij de heg, twijfelde hij even. Zou hij eerst roepen en zich dan laten zien? Of was het beter om eerst in stilte een kijkje te nemen? Hij koos voor het laatste, hield de punt van de paraplu paraat en tuurde in de schaduwen.


De parachutist had een ouderwets lederen jas aan en vliegenierskap op, beide met bont gevoerd. Hij had ook een vliegeniersbril op waardoor het onmogelijk was om te zien of zijn ogen open of dicht waren. Hij lag op zijn zij onder een grote eik, beschut door het bladerdek. De draden van de parachute liepen als een glinsterende rivierendelta over het gras naar de witte zee van de parachute.


‘Hallo?’ riep Ignác. ‘Meneer?’


Toen de parachutist niet reageerde stapte Ignác door de heg om nader onderzoek te plegen, zijn paraplu in de aanslag. Beducht voor gruwelijke verwondingen, bekeek hij eerst snel het gezicht van de jongen, dat ongeschonden bleek te zijn. Ignác kon niet zien of de parachutist ademde en besloot zijn vinger op de halsslagader van de jongen te leggen zoals hij dat in films en series had gezien. Onder de huid voelde hij het leven rustig duwen tegen zijn vingers.


‘Hallo?’ zei Ignác weer en hij schudde de schouder van de jongen. ‘Meneer?’


Hij viste zijn telefoon uit zijn jaszak en besefte pas bij het intoetsen van het laatste cijfer van het noodhulpnummer dat zijn aanwezigheid in het Ztracenka Park op dit vroege uur, ver verwijderd van de raadskantoren waar hij zich in zijn leugen bevond, ongewenste vragen zou oproepen. Snel drukte hij op rood en hij stopte de telefoon weer diep in zijn jaszak. De naam Ignác Vrana zou nergens vermeld staan in het politieonderzoek dat ongetwijfeld binnen enkele weken op het bureau van de commissaris zou belanden. Er moest een list verzonnen worden.


Het beramen was nog maar net begonnen toen Ignác ferme passen op het voetpad hoorde. Hij haastte zich naar de heg en riep naar de vroege passant die hij als lange schaduw in het straatlicht zag naderen: ‘Hallo? Meneer? Heeft u een telefoon? Er ligt hier een parachutist. Er moet gebeld worden.’


‘Pardon?’ riep de passant terug, terwijl hij achteruit verder liep, zijn paraplu als schild gericht op Ignác’ stem.


‘Wilt u alstublieft de noodhulp bellen? Er ligt hier een parachutist,’ riep Ignác.


‘Echt waar?’ riep de passant.


‘Ja. Hij is bewusteloos. Zou u even willen bellen? Mijn telefoon ligt thuis.’


Gerustgesteld door de gedachte dat hij in geval van onheil de noodhulp al aan de lijn had, liep de passant met zijn telefoon aan zijn oor naar Ignác toe, die onrustig het eenzijdige gesprek aanhoorde.


‘Hallo? Noodhulp? Ik sta in Ztracenka Park. Er ligt hier een parachutist.’


[…]


‘Hoe moet ik dat nou weten? Hij heeft een vliegenierspak aan.’


[…]


De passant hield zijn hand op de hoorn en fluisterde. ‘Leeft hij nog?’


Ignác knikte.


‘Hij leeft nog. Maar hij is bewusteloos. Geen bloed zo te zien. Maar stuur toch snel een ambulance.’


[….]


‘Op het hoofdpad, ongeveer halverwege, bij een grote eik, achter een heggetje.’ De man fronste zijn wenkbrauwen en snauwde in de hoorn. ‘Nee, ik geef geen naam. Er staat hier nog een meneer.’


Ignác schudde zijn hoofd.


‘Nee, hij geeft ook geen naam.’


[…]


‘Bijzonderheden? Wat is dat voor een idiote vraag?’ riep de passant. ‘Er ligt hier een bewusteloze parachutist. Is dat niet bijzonder genoeg?’


Ignác bekeek de jongen op de grond nog eens goed en zag toen iets wat hem nog niet eerder was opgevallen. Hij knipte met zijn vingers om de aandacht van de bellende passant te trekken en wees op de hand van de parachutist, die half onder zijn jas verscholen lag.


De passant volgde Ignác wijzende vinger met een vragende frons en vertelde toen met een glimlach welke bijzonderheid die hij daar zag: ‘De parachutist heeft een banaan in zijn hand.’


[…]


‘ Ja, een banaan.’


(Dit verhaal verscheen eerder op A Quattro Mani, waar inmiddels Deel VII uit de serie Vreemdenliefde is te lezen.)

 •  flag
0 comments
like  • 
Published on September 24, 2014 00:52 • 2 views

September 15, 2014

I.

I will not write poetry

I will not write poetry

I will not write poetry

I will not write poetry

I will not write poetry

I will not write poe


————————


II.

When you wake up

if you do

it may be just

another morning

depending on where

and who you are

and whether you

wake up or not


————————


III.

Did some thinking

about #Ferguson

watched some clips

out of #Gaza

remembered

#Marikana

worried a bit

about #Ebola

hashtagged

my conscience


————————


IV.

Sometimes the night sneaks

into the day as a stowaway

fumbling blindly at the lids

of darker cargo in the heart


————————


V.

Let us celebrate

our complacency

by sharing deep

thoughts echoing

ephemeral empathy

 •  flag
0 comments
like  • 
Published on September 15, 2014 04:26 • 9 views

September 4, 2014

I.

The night is to some

a dark canvas for

cosmic displays that

to others is pieced

together from shards

of grief, death and hell


————————-


II.

Tomorrow when you

find this you will know

that I was thinking

what you wondered

I was wondering

when I thought about

you reading this


————————-


III.

The cookie binge

the cookie binge

bleak boredom drives

the cookie binge

the fallout crumbs

the empty box

one cannot hide

the cookie binge


————————-


IV.

Sometimes poetry is little

more than a vehicle

for delivering fresh

water and toilets

blankets and rice

bound for the frozen

outskirts of hell


————————-


V.

Nothing

fuels the pen

like doing

absolutely

nothing


I did nothing

while writing

this poem

which is why

you found it

worth reading


————————-


Click > here < for previous editions of “Five Twitter Poems”.


For more poetry and poor puns, follow me on Twitter: @RicharddeNooy.

 •  flag
0 comments
like  • 
Published on September 04, 2014 01:51 • 2 views

August 14, 2014

The UsaidBecause my author page on Facebook is quieter than a graveyard on a mid-winter’s night, I have decided to revert to the tried and tested joy of posting new reviews and interviews here on my blog. I’ll keep updating this page, posting the latest reviews at the top as they come in.


Scroll down to the bottom to order a copy of The Unsaid, and it would be wonderful if you’d share thoughts on the book as a comment under this post. Thanks!


Review | “The Unsaid is a powerful book in which everything makes sense, the humour is black where it has to be black and the characters are perfect in their imperfection. As forecast in the motto, De Heer breaks out of the Institute and straight into your thoughts to stay there for days.”

(Natasja Schellaars on Litnet)


Review | “Funny, terrifying and full of rage, The Unsaid is a barbaric yawp from the all the cells of the world.”

(Diane Awerbuck in The Sunday Times)


Interview | “Richard de Nooy writes strange and beautiful novels, like literary puzzle boxes.”

(With Lauren Beukes for The Spark)


Review | “This is a novel you will tell other people about. That you will find yourself recalling in years to come.”

(Karen Jeynes in the Cape Times)


Review | “For reasons I am about to disclose, De Nooy’s The Unsaid is one of 2014’s most memorable, creative works of fiction thus far, one that demands an attentive and intelligent audience.”

(Jonathan Amid on SlipNet)


Interview-ish | During my chat with Bruce Dennill of The Citizen, we witnessed an aptly absurd altercation out in the street.


Interview | “[His novels] all bear the hallmarks of a singular writing aesthetic: vivid, deeply troubled, supremely memorable characters; a sound understanding of the relationship between space, place and personal development.”

(Jonathan Amid on AERODROME)


Interview | An unusual interview with Tiah Beautement, who was channeling Charles Bukowski.


Interview | “The Dutch-South African novelist tells O how he is drawn to characters who are neither ‘good’ nor ‘bad,’ and narratives that work on many levels.”

(With Oprah Magazine)


=d.offsetWidth&&0>=d.offsetHeight)a=!1;else{c=d.getBoundingClientRect();var f=k.body;a=c.top+("pageYOffset"in h?h.pageYOffset:(k[m]||f.parentNode||f).scrollTop);c=c.left+("pageXOffset"in
h?h.pageXOffset:(k[m]||f.parentNode||f).scrollLeft);f=a.toString()+","+c;b.b.hasOwnProperty(f)?a=!1:(b.b[f]=!0,a=a=a[p]+e[p]&&(a+=e)}b.g&&(e="&rd="+g(JSON.stringify(z())),131072>=a[p]+e[p]&&(a+=e),d=!0);A=a;if(d){c=b.f;b=b.h;var f;if(h.XMLHttpRequest)f=new XMLHttpRequest;else if(h.ActiveXObject)try{f=new ActiveXObject("Msxml2.XMLHTTP")}catch(s){try{f=new ActiveXObject("Microsoft.XMLHTTP")}catch(B){}}f&&(f.open("POST",c+(-1==c.indexOf("?")?"?":"&")+"url="+g(b)),f.setRequestHeader("Content-Type","application/x-www-form-urlencoded"),f.send(a))}}},z=function(){var b={},d=k.getElementsByTagName("IMG");if(0==d[p])return{};var a=d[0];if(!("naturalWidth"in a&&"naturalHeight"in a))return{};for(var c=0;a=d[c];++c){var e=a.getAttribute("pagespeed_url_hash");e&&(!(e in b)&&0=b[a.src].k&&a[n]>=b[a.src].j)&&(b[e]={rw:a[l],rh:a[n],ow:a.naturalWidth,oh:a.naturalHeight})}return b},A="";r("pagespeed.CriticalImages.getBeaconData",function(){return A});r("pagespeed.CriticalImages.Run",function(b,d,a,c,e,f){var s=new w(b,d,a,e,f);v=s;c&&u(function(){h.setTimeout(function(){y(s)},0)})});})();pagespeed.CriticalImages.Run('/mod_pagespeed_beacon','http://richarddenooy.bookslive.co.za/wp-content/mu-plugins/now-reading/ajx.php','cE5TfZn1Io',true,false,'46jQ9KxLqdU');
//]]>The Unsaid


Book details



The Unsaid by Richard de Nooy

Book homepage

EAN: 9781431409167

Find this book with BOOK Finder!
 •  flag
0 comments
like  • 
Published on August 14, 2014 04:48 • 3 views

August 3, 2014

Irregularity cover “The history of science clearly offers rich territory for the imagination. In Irregularity it has inspired stories about people’s efforts, successful and unsuccessful, to know the world better and make it comprehensible, for tales about the things that prove unknowable, and the tension between order and chaos. The result is a wonderfully eclectic mix that asks questions about the boundaries of science and what we can know. But it is more than just entertainment; writing and reading fiction can help us interpret the past and come closer to it. Like all writers, historians need imagination to draw together the papers in archives and objects in museums to tell their stories. Without it, history would be little more than lists of dates and facts,” write Richard Dunn and Sophie Waring in their afterword to this fascinating anthology, published by Jurassic London in collaboration with the Royal Museums Greenwich to coincide with their exhibition Ships, Clocks & Stars: The Quest for Longitude.


As a contributor this anthology, I must suppress the urge to wax lyrical about the stories it contains, but I will say that I am still glowing with pride to stand among such outstanding authors, all of whom have the capacity to usher us gently into their own little time machine, before whisking us away and immersing us in the world’s and lives and histories they have chosen to reimagine. Their stories have not only enthralled me, but have also instilled an urge to delve into biographies and other works of non-fiction to learn more about the learned minds so artfully brought to life on the pages of Irregularity. To celebrate the efforts of my co-contributors, I will skip joyfully back through the pages of the anthology and pick a flower from each of their stories, in the hope that this colourful bouquet will tempt you to wander out into their world and make your own discoveries.


The afterimage of thousands of books hung imprinted on my eyes. It did not matter to me if each and every one was full of provable falsehoods and stupidities: any text is an image of a mind, and any mind is worthy of attention. (Nick Harkaway in the framing story of Irregularity)


The next thing he said gave his wherefroms away even if he hadn’t just told us: he was truly an Englishman no matter how far flung he would ever travel, for as a conversational gambit he disparaged his home weather. “Plenty worse than these climes, the weather in England. Damn rain and the drizzle.”

(from Rose Biggin’s A Game Proposition)


At night she brought her candle down to the floor and lay on her stomach, marvelling at the work of the spinning spiders, the flame of the candle illuminating the intricate patterns of their mysterious creations. How did they do it? How did they know the exact length of the thread required, where to send it, how to attach it so that they might cling to any surface, however impossible?

“What will you tell me tonight, spiders?”

If she closed her eyes, she thought she heard their voices.


(from E.J. Swift’s The Spiders of Stockholm)


I buy a medical journal, because my hand can only take so much, and I need to know where the blood in the body comes at its thickest. The concept of this seems so logical to me, now, that I can scarcely believe that I didn’t see it before. To take the body – such a perfect device of itself, and practically a clock, so permanent and constant is the rhythmic beating of the heart – and to somehow infuse my escapement with it!

(from James Smythe’s The Last Escapement)


“No man knows the precise value of such celerity!” Newton exclaimed, crossly. He had managed, without being observed by Boyle, to use his thumbnail to gouge a crescent-moon sliver from the nail of his forefinger. He was attempting, again without being observed, to manipulate this into the keyhole of the lock of his handcuff.

(from Adam Roberts’s The Assassination of Isaac Newton by the Coward Robert Boyle)


The quiet authority in his voice, and the gravity of all the men, made me think that perhaps there was truth in Venter’s story. This was, after all, a new world. Things were different here. Animals may yet exist of which Linnaeus had no knowledge, I mused. Look at the wonders they have found in New Holland: beasts with both fur and eggs.

(from Henrietta Rose-Innes’s Animalia Paradoxa)


The cathedral will not sustain a cat. I brought one two nights ago during another of my perambulations – a great tom with a white streak down its nose. I set it beside the north-eastern wall in the crypt and it bristled and hissed, backing away from the stones, staring wild-eyed in every direction before streaking off. Today a wall beneath the south transept crumbled and the labourers shouted out, for they had discovered a cat’s carcass therein, much aged and dried out.

(from Archie Black’s Footprint)


I looked, and beheld a small island of basalt rock, barely a comma upon the unending page of the ocean, a little protrusion that reminded me of those desolate lands where nought but fungus and tawny shrub grew in the side of the cliff, and where yet on these meagre pickings survived many birds adapted to nest in crevices, and insects to feed off of the birds, and more fungus which fed off the rotting bodies of the insects, life thus finding its way in even these most desolate of places.

(from Claire North’s The Voyage of The Basset)


And so I thundered down the tower’s staircase to the Guild’s quarters, where I wandered along the murky passage, rapping on several doors before I heard the fall of footsteps approaching. You can well imagine my surprise when the preparator himself opened the door, releasing a pungent draft of camphor and spirits from the room beyond and affording me a glimpse of the macabre specimens that lined the shelves like the pale and misshapen demons of some awful nightmare trapped in glass.

(from Richard de Nooy’s The Heart of Aris Kindt)


At dinner, over which Mr. Canevin exerted himself greatly, ordering his cooks to deliver a feast far beyond our capacities to imbibe even a quarter of, I revealed that the main purpose of this lengthy journey was less concerned with matters of Jamaica and more to travel on to Port-au-Prince in order to discover the problem at the Cranache Plantation.

(from Roger Luckhurst’s Circulation)


She made her way down the steps to stand with the vast creature, and it backed away to keep a discreet distance, snorting steam. The behaviour seemed completely natural, no different from an elephant who respects his keeper in the hope of earning a bun. The others stared in awe, but my profession demands certain instincts – and besides I was eager to ingratiate myself with the lady now I knew who she was.

“What is the next stage?” I asked.


(from Simon Guerrier’s An Experiment in the Formulae of Thought)


Up at break of day to get away the remainder of my things; which I did by lighter at the Iron Gate. In the evening, Sir W. Pen and I did dig a pit, and put our wine in it, and I my Parmazan cheese. Pen said that talk has already turned to the French, and that the sensible amongst them have already fled home. Many rumours about the Abyss, and fancy is plentiful: that it reached out to grab a baby from his mother’s arms; that it speaks in whispers – but only so you’ll lean close enough that it can eat you.

(from M. Suddain’s The Darkness)


She opens and closes the wooden arms of the device, presses the fleshy pad of her little finger against the pointed end, attempting to divine its true purpose. She runs, giggling, to find a scrap of drawing paper and uses the dividers to scratch a circle into the parchment. Uneven and imperfect. But a circle none the less. She hugs the instrument to her chest, rocking it like a baby.

(from Kim Curran’s A Woman Out of Time)


Carl kept his disappointment to himself. He had hoped, standing in the man’s private shed, for a feeling of connection to Thomas Fairchild, the longing disappeared in a breath. There was no life in the little building: no papers or a forgotten cap, no boots by the door or an old glove, its thumb worn from use. Thomas’s business legacy, the nursery, had been left open and his nephew had stepped in seamlessly, as Carl could see by the number of workmen tending to the plants and trees. His other legacy lay in a dark drawer in a stone building in London.

(from Tiffani Angus’s Fairchild’s Folly)


(Click here for more about Irregularity and the many ways you can get your hands on a copy pronto.)

 •  flag
0 comments
like  • 
Published on August 03, 2014 05:34 • 5 views

July 15, 2014

[image error]


Het was een lieve jongen, dat zag Helle meteen. Te lief waarschijnlijk. Het leek alsof hij zichzelf eind jaren tachtig in de wc had opgesloten en nu pas was ontsnapt. Zijn lichtblauwe denim pak vloekte met zijn Kraftwerkkapsel. Een hipster-homo misschien, bedacht Helle, of gewoon een trampel uit een van de satellieten – Buxtehude bijvoorbeeld, of Neumünster – waar mensen nog op thrash metal dansten in de buurthonken.


Hij zat ergens naar te staren, de retro-rodeojongen. Helle speurde naar het doelwit van zijn blik, dat vanaf de mezzanine op de dansvloer was gericht. Hij hield de kruk naast hem vrij, schudde steeds nee en wees op de twee cocktails die voor hem op balustradetoog stonden. Er was dus een vrouw in het spel, misschien wel twee, of hij was toch een homo.


De jongen had een zacht gezicht waarop een zwakke glimlach steeds zijn trieste wenkbrauwen probeerde op te krikken. Helle liep het trappetje op en ging tussen de tafels staan zodat ze beter zicht had op de stampvolle dansvloer. Nu zag ze meteen waar de retro-rodeojongen naar zat te staren. Zijn trieste blik werd veroorzaakt door een meisje dat gesmeed leek uit het mooiste DNA dat zes continenten te bieden hadden. Ze droeg een strak scharlaken jurkje met een opening op haar onderrug, die zich door haar kronkelende bewegingen als een schede opende en sloot.


Ze stond te dansen met een lul. Maar dan wel een lul die precies wist hoe het moest, vond Helle. Hij leek een oeroude gebarentaal te spreken met zijn bovenlichaam. Zijn rollende schouders dreven een draaikolk die hij met zijn handen voor zijn borst maakte, waarin elke beweging een woord werd, een lokroep om het bed te delen, de liefde te bedrijven, te buigen voor zijn zwierige macht.


Het meisje leek betoverd, gevangen in een gelukzalige hypnose, haar wellust als eb en vloed bestuurd door de lonkende en afwerende handen van de lul. Steeds dichter kwam ze bij zijn magische maalstroom, totdat ze de verleiding niet kon weerstaan om hem met vragende, zoekende vingers aan te raken. Haar gebaar werd beantwoord door de goddelijke hand van de lul, die rustig naar haar schouder zweefde om met twee licht gebogen vingers een spaghettibandje te fatsoeneren. Daarna gleden zijn vingers langs het bandje omlaag, waar twee tepels door het stof heen smeekten om verlossing. Het meisje stond nu zo goed als naakt voor de lul, schaamde zich voor haar hitsigheid en verborg zich in zijn armen.


Achter de rug van het scharlaken meisje stak de lul twee duimen omhoog en grijnsde naar de retro-rodeojongen op de mezzanine, die met een geforceerde glimlach ook zijn duim omhoog stak. Daarna wende hij zijn ogen af van het dansende stel en ving Helle’s blik.

 •  flag
0 comments
like  • 
Published on July 15, 2014 01:37 • 7 views

May 1, 2014

Hvalprut boat diagram Ik vertel alleen wat ik zelf weet.

Niet wat ik van horen-zeggen heb.


En zeg maar “ho” als ik te lang doorklets.

Dat doet mijn dochter ook.

“Ho,” zegt ze dan. “Niet zo doorbazelen, vader.”


Waar zal ik beginnen?


Bij mijn oude vriend Erling?

Bij die wijven?

Of toch bij de Hvalprut?


Ze waren in het voorjaar met opknappen begonnen. Kort nadat Erling zo ziek is geworden. De Hvalprut had toen al een jaar of acht, negen aan de kade gehangen. Erling wou nog één keer naar de Faeröer. Met die wijven van hem – Hedvig en Josefine. Dat had hij beloofd. Onderweg is het allemaal gebeurd natuurlijk. Godsamme wat een verhaal. Maar dat krijg je met twee wijven. Dat klinkt leuk, maar het zorgt voor allemaal onrust, snap je? Kijk, het was natuurlijk een knappe vent, Erling, en hij kon een goede grap vertellen, maar het ligt allemaal veel simpeler. Vrouwen leven gewoon langer. Dus er blijven meer over. Die willen allemaal wel nog een keertje aan de man. Maar die zijn er niet meer. Erling was eigenlijk de enige weduwnaar van onze generatie, geloof ik. Nou, dan heb je de vrouwtjes voor het uitkiezen. Hij hoefde niet eens te kiezen. Ze boden zichzelf gewoon aan. Althans, zo vertelde Erling het.


Even terug?


Erling heeft het langst doorgevist. Van onze generatie bedoel ik dan. Ulf, Karsten, Morten en ik hadden onze boten al overgedragen aan zoons en neven, of verkocht. Op een gegeven moment is de koek op. Dan kan je het leven op zee niet meer aan. De lange uren. Het zware werk. Je hebt dan allang jonge vissers aan boord natuurlijk. Maar je bent toch dagenlang op zee. En het zuipen helpt ook al niet. Erling had alleen zijn dochter Sigrid. En zij woonde in Odense. Zijn vrouw was al tien jaar dood. Maar hij had wel die wijven, snap je?


Nadat Erling was opgegeven kwam Sigrid dus ieder weekend met haar man naar Nyborg om aan de boot te werken. Hoe heet die jongen ook alweer? Die rekenmeester van haar? Peter, ja. Die had echt geen benul. Sigrid ook niet, dus toen ben ik ze maar gaan helpen. Erling was toen al te ziek. Hij wist dat het niet lang meer zou duren. Dat lijkt me eerlijk gezegd wel wat. Dat je weet waar de eindstreep ligt. Je krijgt nog zes maanden. Of een jaar. Een datum zou nog mooier zijn: “28 maart is het zover, Meneer Knudsen. Dan gaat u sterven. Lijkt u dat wat?” En dat je dan met je familie afspreekt om te kijken of het een geschikte datum is.


Ho?


Erling en ik hadden de Hvalprut toen allang naar een stille hoek van Vesterhavnen gebracht. Waar Meester Seistrup zich er niet aan kon ergeren. Dat is een enorme eikel kan ik je vertellen, zoals de meeste mensen die te lang bij de overheid werken, maar hij had dit keer wel gelijk. Dat ding lag maar te schrapen en roesten, vol in het zicht aan de havenpromenade. Erling had een vergunning daarvoor omdat hij nog een tijdje rondvaarten organiseerde in de zomer. Dan nam hij zo’n groep mee het Kattegat op. Gingen ze picknicken op Samsø. Met champagne en zo. Daar heeft hij Hedvig toen ontmoet. Maar die was toen nog met haar man, heb ik begrepen. Josefine heeft nog bij ons op school gezeten. Zij is de weduwe van Bjarne Justesen. Ken je die nog?


Sigrid en Peter kwamen dus ieder weekend aan de boot werken – schuren, schilderen, poetsen, invetten, vervangen. Ik had nog mijn vaste adresjes waar ik voor een schappelijke prijs spulletjes kon halen. Dus dan wees ik ze de weg in de auto. Onderweg probeerde ik dan alle trucjes en foefjes aan ze uit te leggen. Maar dat is moeilijk als mensen de taal van de zee niet spreken. Probeer maar eens aan iemand uit te leggen hoe je schubben moet krabben als ze niet eens weten wat een vis is.


Het is uiteindelijk allemaal goed gekomen. Maar het heeft maanden geduurd voordat de Hvalprut zeewaardig was. Ik heb nog een goede mecanicien voor ze geregeld, die jongen van Baundsgaard, om de motor helemaal te reviseren. Dat moest want ze zouden drie of vier dagen op volle zee zitten. En je wil echt niet als een dode zeehond in de vaargeul dobberen midden in de nacht.


Ho?


Maar waarom vraagt u dat niet meteen?

Nee, ik denk niet dat Sigrid wist wat Erling van plan was. Wie had zoiets nou kunnen vermoeden?


(Dit verhaal verscheen eerder op A Quattro Mani. Neem een abonnement en geniet mee van de literaire ontdekkingsreis die Vivian de Gier en Marc Brester daar ondernemen.)

 •  flag
0 comments
like  • 
Published on May 01, 2014 08:20 • 24 views